Han dehne alias pakhan

ER IS NIETS GELEERD......
zij kwamen uit Insulinde aangevaren
verdreven van hun geboortegrond
omdat zij daar niet meer welkom waren
kwamen in Holland aan hun hart gewond
bouwden een nieuw leven in Nederland
mond dicht en werken voor een nieuw bestaan
nauwelijks echt geholpen, zonder gulle hand
toetoep moeloet, in dit kikkerland ben je voortaan
zij hebben het met z'n allen toch maar gedaan
bouwden een goed en eerlijk leven
accepteerde Neerlands zwijgen over hun bestaan
vergaten zelf uitleg van hun eigen verhaal te geven
pas na jaren ontstond rumoer in hun groep
er klonk een rechtvaardige nieuwe roep
erken de nare ervaringen in Indie uit die tijd
en zorg dat zij van dat trauma worden bevrijd
al hun geld en goederen en goederen gingen verloren
zij kwamen in Nederland om te de armen te behoren
nooit werden zij door wie dan ook gecompenseerd
de Nederlandse overheid heeft uit dit verleden niets geleerd.

 

 

 

 

DE INDISCHE KWESTIE IS OOK EEN NEDERLANDSE KWESTIE!

Al vele jaren wordt er gesproken en aangedrongen bij de Nederlandse regering en de Tweede Kamer om mee te werken aan een definitieve oplossing van dat wat altijd de Indische Kwestie is genoemd.

Aanvankelijk werd hiervoor een zogenaamd Indisch Platform voor benoemd om als gesprekspartner te fungeren voor met name de Staatssecretaris van Rijn. Dit platform bestond uit een aantal leden van vooral kleine Indische organisaties. Zij wilden en moesten de belangen van de Indische gemeenschap behartigen.
Helaas was men vergeten om er voor te zorgen dat er onder die gemeenschap een voldoende draagvlak te creeeren.

Nadat o.a. het onderzoek naar de zogenaamde “Pay Back“ situatie was afgerond en middels een boek openbaar werd gemaakt ontstond er een situatie van “hoe verder “.
Ik ga niet alle gebeurtenissen op nieuw op een rij zetten, maar binnen de Indische samenleving in Nederland was er al lange tijd een grote onvrede over de manier waarop het Indisch Platform dat onder leiding stond van Dhr. S.
Hij ging uiteindelijk accoord met een soort regeling die er toe heeft geleid dat de nog levende oud-ambtenaren en militairen een toezegging kregen waarbij zij alsnog hun nooit niet uitgekeerd salaris zouden ontvangen. Maar door de knullige wijze van inspraak door het Indisch Platform, is nu na enkele jaren nog maar een heel klein deel daarvan gerealiseert. Bovendien gingen zij akkoord met het uitsluiten van de weduwen zodat zij geen recht kregen op dit - uiteindelijk samen verdiend - gezinsinkomen.
Alle andere geluiden uit de Indische samenleving werden stelselmatig niet opgepikt en bleven onbesproken.

Ik ga niet in op de vele aantijgingen die aan het adres van Dhr.S die als voorzitter en woordvoerder van dat Platform zijn gedaan. Wel ontstond daardoor het gevoel dat de Indische zaak door hem werd verkwanseld.

Het overgrote deel van de Indische Nederlanders en Molukkers
hadden echt geen vertrouwen meer in Dhr. S en zijn sterk geminimaliseerd platform.
Hen werd verzocht op te stappen omdat hun ondeskundig beleid niet langer acceptabel was. Maar kortzichtig en op de functie belust bleven zij zitten op hun stoel.

Inmiddels waren er al langere tijd andere en meer capabele mensen opgestaan, gesteund door een zeer grote achterban.
Mevr. Peggy Stein en Anton Te Meij, gesteund door een enorme zwaar teleurgestelde en zelfs zeer boze achterban werd aan alle kanten aangeraden om een nieuw platform te vormen.
Het Platform 2.0 werd een feit en inmiddels hebben zij al een aantal gesprekken gevoerd in Den Haag.

MAAR WAAROM IS HET OOK EEN NEDERLANDSE KWESTIE?

Nadat de Japanse bezetting van Nederlands Indie op 15 augustus 1945 ten einde kwam riep Sukarno en zijn companen op 17 augustus de onafhankelijke staat Indonesie uit.
De Indonesiers hadden al vele, vele jaren verlangd om hun eigen zaken te regelen en wilden af van het voormalig Koloniaal bewind van Nederland.

Vrijwel op het moment dat zij zichzelf vrij verklaarden ontstond de periode die “de Bersiap “ werd genoemd. Nederland deed pogingen om het voormalig gezag te herstellen en de Indonesiers wilden hunn eigen gezag uitoefenen.
Helaas verharde de Nederlandse overheid hun strategie tot het opnieuw onderwerpen van de bevolking. Natuurlijk leidde dat tot grote conflicten. Eerst gingen Indonesische bendes massaal de straat op en roofden en moorden links en rechts de door hen zo gehate Nederlanders en Indo’s.
Er was op dat moment een soort vacuum waarin de net benoemde Indonesische machthebbers hun greep op de bevolking nog niet helemaal op orde hadden, terwijl de Nederlanders bezig waren om hun grip op diezelfde bevolking door militairen te laten uitvoeren.

In gesprek gaan met elkaar zat er niet in en de strijd verharde zich nog meer nadat de Indonesiers hun krijgsmacht redelijk op orde kregen en zij ook steeds meer en zwaarder bewapend raakten.

Ondertussen was het al lang duidelijk dat de USA, Rusland en Engeland niet wilden hebben dat Nederland opnieuw kolonisator werd. Zij schaarden zich al snel achter de Indonesische plannen. Maar Nederland bleef zich tot het uiterste verzetten hiertegen, zowel militair als diplomatiek.

Afijn, uiteindelijk ontstond er een situatie waarbij de vele Nederlanders en Indo’s moesten vrezen voor hun leven waardoor zij weg wilden naar Nederland.
Maar de Nederlandse regering zat helemaal niet zo op deze mensen te wachten waarover zij zeer neerbuigend en beledigend spraken.
Edoch, zij konden deze Nederlanders niet tegenhouden. Massaal kwamen zij in Nederland aan zonder noemenswaardige bezittingen. Alles was geroofd, gestolen of moest men achterlaten. Berooid van alles kwamen zij in Nederland.

Bij aankomst konden zij allerlei voorschotten krijgen voor kleding en inboedel, maar alles moest worden terugbetaald. Voor velen was het daardoor armoe troef.
In Nederland waren alle behaalde diploma’s ineens niet meer geldig en velen die moesten ver beneden hun niveau een baan accepteren of bij weigering honger lijden.
Oh ja, je kan hierover een boek schrijven zo dik als het Oude- en Nieuwe Testament bij elkaar.

Na jaren te hebben gezwegen over de vernederingen hen aangedaan als Nederlanders door de Nederlandse overheid is nu al een aantal jaartjes het tij gekeerd.
Niks zwijgen. De tijd van eisen is aangebroken.

De geschiedenis terugdraaien is onmogelijk maar vergoeden wat weg is kan wel. De schande van miskenning van zo’n 70 jaar kan alleen worden uitgewist door enerzijds de Nederlandse overheid schuld te laten bekennen aan hun halstarrige houding in het verleden waardoor meer dan 300.000 Nederlanders op drift raakten en haastig naar Nederland moesten uitwijken, vluchten of terugkeren.
Als kale kippen kwamen ze aan en daarna werden de laatste restjes nogmaals geplukt door de overheden.

Om al die redenen is het terecht dat de gehele Indische gemeenschap in Nederland genoegdoening begint te eisen. Een schadevergoeding voor alles wat teloor ging.

Nederland isnog steeds het enige land ter wereld dat in dat opzicht zijn verplichtingen niet is nagekomen.

HET WORDT DE HOOGSTE TIJD DAT DIT AFGEHANDELD WORDT ONDANKS DE ONWIL VAN DE HUIDIGE REGERING.

Reactie plaatsen

Reacties

Willem A. Brückel
een dag geleden

“Om al die redenen is het terecht dat de gehele Indische
gemeenschap in Nederland en ook daar buiten genoegdoening begint te eisen.
( een paar woorden toegevoegd) WAB.

ODE AAN DE SAMBAL
Ik bleef als baby veel te klein
De dokter moest zich ermee bemoeien
Maar door sambal als medicijn
Kon ik tot groter groeien
Met buikpijn is het vaak te naar
Dat moet je 'n keer maar ondervinden
Alleen met sambal speel je het klaar
En zal het kauwsel beter ontbinden
Sambal Oelek, Sambal Badjak
Sambal Glódèk, Sambal Roedjak
In je nasi, brood of soep of ajam bali
sambal blijft altijd - enak sekali
Een meisje ging met mij in zee
Maar 'k wist niet hoe ik haar moest kussen
Sambal bracht me op 'n idee
Zo kon ik de liefdesvuurtjes doven
Door sambal raak je doorgaans rood
't maakt je zalig, vief en high
Daarom is sambal m'n dagelijks brood
Voor moedelozen een ommezwaai
Zij die mij hierin niet geloven
Wil ik graag de mond vol smeren
Door sambal raak je ondersteboven
Dus eet meer sambal, dames en heren.

 

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.

Al ongeveer een jaar is de Kraton in Solo, Soerakarta gesloten voor het publiek. De pracht en praal van het Paleis van de Susuhunan blijft voorlopig uit het zicht voor belangstellenden.
Het is ook heel erg jammer voor de zieke Paku Buwono XIII en de familieleden. Het paleis is al vele jaren niet meer in het bezit van de familie maar van de Indonesische Overheid. Misschien daardoor is deze situatie ontstaan. Hopenlijk hebben zij voldoende historisch besef zodat er gelden komen om deze Kraton in alle luister te herstellen.
In de vroegere tijden beschikte de in rang belangrijkste Sultan van het land over behoorlijk wat macht. Maar door de komst van de Nederlanders werd dat al eerder zeer beperkt, maar bij het tot stand komen van de Republiek Indonesie ging alles verloren.
Ondanks hun feitelijke machtsverlies genoten de Javaanse vorsten onder de bevolking blijvend ontzag. Dr. Ong: ""Paku Buwono X van Surakarta (1893-1939) wordt wel de laatste koning van Java genoemd. Hij hield van uitstapjes en werd overal groots verwelkomd. Rond 1900 maakte hij een reisje naar Semarang. Miljoenen mensen uit het volk hurkten langs de wegen. Die geestdrift hing samen met de stemming rond de eeuwwisseling. Sinds 1830 was er geen Javaanse held meer. Er waren de voor de Javanen drukkende plantages, de suikerprijzen, verder familie - hij had veertig concubines en vierenzestig kinderen - en zijn lijfwachten. Dat wekte een gevoel van trots. Er was een Javaan die meer voorstelde dan de gouverneur-generaal, de Chinese kapitein of de opzichter van de suikerfabriek.
""Als de Nederlanders werkelijk iets van de vorsten wilden, konden dezen onmogelijk weigeren. Als een vorst de troon besteeg, moest hij eerst een contract tekenen met de Nederlanders over gezagsverhoudingen en financi毛n; dat was zijn laatste machtsmiddel. Politiek was een vorstelijke hobby, maar het was een spel om het spel zelf, dus zonder veel verantwoordelijkheid. Er werd alom geflirt, met de nationalistische beweging, met de islamieten, met Soekarno, maar veel resultaat had het niet.''
Kind-koning
Paku Buwono XII had de troon nog niet bestegen of de revolutie brak uit.
In die maalstroom hield hij zijn mooie hoofd met moeite boven water en nam hij een aantal funeste beslissingen. Dr. Ong: ""Hij was nog een kind, hij wist van niets. In die eerste jaren stond hij in feite onder curatele van zijn oom, de vizier, en zijn moeder, de gemalin van de jong gestorven Elfde. Zij was een dominante vrouw en gaat in de kraton tegenwoordig door voor een heiligheid.''
Meteen na de proclamatie van de Indonesische onafhankelijkheid door Soekarno en Hatta, op 17 augustus 1945, zonden de Middenjavaanse vorsten aanhankelijkheidsverklaringen naar Jakarta. De boodschapper uit Solo, zo vertelt men in de kraton, werd onderweg "door de communisten' vermoord. Ong: ""Tot op heden staat de sultan van Yogya bekend als een republikein van het eerste uur en heeft de susuhunan nog steeds de naam op het verkeerde - Nederlandse - paard te hebben gewed. Aan het begin van de revolutie deed Yogyakarta mee met alle politieke en landhervormingen, terwijl het hof van Surakarta alles tegenwerkte. Of men zo pro-Nederlands was, weet ik niet, maar de vorst had tijdens de revolutie veel moeite met zijn opstandige bevolking. Die rebelleerde aanvankelijk tegen de koning, maar uiteindelijk was die niet relevant meer, zodat de opstand zich keerde tegen de Republiek. In Yogyakarta zetelde de nationalistische regering en Solo werd het centrum van de linkse oppositie. Dat heeft de kraton parten gespeeld.''
Een van de trouwste hovelingen van Surakarta is Kanjeng Raden Tumenggung ("regent') Hardjonagoro, geboren Go Tik Swan, kleinzoon van een Luitenant der Chineezen, batik-kunstenaar en al meer dan vijfentwintig jaar directeur van het kraton-museum. "Mas Go' bezocht de Europeese Lagere School met Solonese prinsen, onder wie de aanstaande koning, is kind aan huis in het paleis en werd vanwege zijn verdiensten voor de Javaanse cultuur door de Twaalfde in de adelstand verheven. Hardjonagoro: ""De jonge koning stond niet alleen onder invloed van zijn moeder, een formidabele vrouw, maar hij luisterde in politieke zaken vooral naar zijn patih (vizier, rijksbestuurder) en dat was veel funester.''
De benoeming van een patih vereiste sinds 1743 de toestemming van de VOC en later van het Hollandse gouvernement; zij waren de zetbazen van Batavia. Dat was de reden waarom sultan Hamengkubuwono IX van Yogyakarta bij zijn troonsbestijging in 1940 weigerde een patih te benoemen. Hardjonagoro: ""Yogya was als hoofdstad van de Republiek onaantastbaar en Solo werd de dupe. Ten eerste omdat de susuhunan nog zo jong was. En in de tweede plaats vanwege patih Sosrodiningrat IV, een Hollands opgeleide indoloog, die zich verre hield van het republikeinse milieu, omdat hij bang was naar Yogya's voorbeeld aan de kant te worden gezet.''
Hardjonagoro noemt een pikant voorbeeld: ""Nog geen jaar na de proclamatie kwam Hamengkubuwono IX naar Solo. De sultan stelde mijn susuhunan voor om Mataram te herenigen met de status van zelfbesturende provincie binnen de Republiek. Hij zei: laten wij Yogya en Solo bijeenbrengen; U wordt als eerste vijf jaar gouverneur, dan ik vijf jaren en de volgende periode U weer. Het antwoord van Solo was, jammer genoeg, het antwoord van de patih. Die zei: dat kan niet, Sri Sunan, want U kunt nooit tweede man worden onder de sultan. U weet dat de koloniale regering het hof van Surakarta altijd hoger heeft gesteld dan het hof van Yogyakarta. Dus weigerde de jonge koning; een gemiste kans.''
Toen Solo in 1948 werd herbezet door de republikeinse troepen werd het zelfbestuur, dat Surakarta net als Yogyakarta in 1945 had gekregen, door de republikeinse resident in Solo "voorlopig buiten werking gesteld'. In 1960 verloor de kraton Surakarta alle bestuurlijke bevoegdheden en was de susuhunan politiek uitgespeeld. Yogyakarta heeft tot op heden de status van daerah istimewa, een provincie met bijzondere bevoegdheden op cultureel gebied. Solo niet.
Profetie
De wereldlijke macht was verwaaid in de storm der geschiedenis, maar de vorst zat jaarlijks op zijn gouden troon, hield de Bedaya Ketawang in ere en de pusaka werden verzorgd. Sommigen beweerden echter dat ook de wahyu inmiddels was vergaan en verwezen naar een profetie uit 1745. Had niet een ziener gewaarschuwd dat de kraton binnen tweehonderd jaar moest verhuizen om de wahyu te vernieuwen? Aan het hof glimlachte men om dit verhaal; daar wist men wel beter.
In de jaren dertig had Paku Buwono X in het diepste geheim besloten tot een symbolische verhuizing. De vorst liet achter het oude paleis, maar binnen de muren een heuveltje aanleggen, een lusthof van rotsen en planten. Ten westen van die "berg' liet hij een nieuwe vleugel bouwen, het Kedaton Kulon (Westelijke Paleis) en hij gaf opdracht de pusaka daarheen over te brengen. Zo was de kraton "naar het Westen verhuisd' en was de wahyu vernieuwd. Maar hoe stond het met de vorst? Genoot hij nog immer de gunst der goden?
Paku Buwono XII was zelden in het paleis; hij verkoos de vergetelheid van Jakarta - bowling-halls en huizen van lichte zeden - boven het strenge hofleven met zijn dagelijkse offerplichten. Over de seksuele uitspattingen van de susuhunan circuleren vele verhalen. De vorst ging er prat op ""alle soorten lichamen te hebben geproefd, met uitzondering van blinden en waanzinnigen''.
De inkomstenbronnen van de Kraton Surakarta Hadiningrat droogden op en het hof verloederde. De oude koningin-moeder, de "formidabele' Kanjeng Ratu Paku Buwono XI, liet tegen een vertrouweling deze waarschuwing horen: ""Zolang ik leef, gebeurt er niets; maar pas op als ik er niet meer ben.''
In 1984 stierf de oude dame. Nog geen jaar later, in januari 1985, ontstond een uitslaande brand in de Dalem Ageng, het hart van de kraton, met zijn djati-houten paviljoenen en kostbare antieke meubilair. De spuitwagens van Solo rukten ogenblikkelijk uit, maar konden niet door de paleispoort. De brandweerlieden weigerden dit symbool van bovenwereldlijk gezag neer te halen en de helft van de kraton brandde af. De koning, toevallig aanwezig, brak een ruit en wist een gouden kris te redden voor de vlammen.
Gusti Koes Moertiyah herinnert zich de ramp als de dag van gisteren: ""Het was een donderdagavond, die Javanen plegen door te brengen met mediteren; ik doe dat meestal op een plekje langs de Solo-rivier. Ik had net bloemen gekocht op de markt, toen een vriendin me vertelde dat de kraton in brand stond. Ik rende terug en toen ik zag hoe hoog de vlammen opschoten, ben ik flauwgevallen; meer dan twee uur lang was ik bewusteloos. Toen ik weer bijkwam, lag de halve kraton in de as.
""Oorzaak van de brand'', zegt Mbak Moer, ""was een kortsluiting in de ondeugdelijke elektrische installatie van de oudste vleugel. Uit mystiek oogpunt waren er al verschillende influisteringen geweest die beduidden dat er iets groots stond te gebeuren in de kraton. Drie uur voordat de brand uitbrak, belde vader mij op. Moer, zei hij, zeg tegen Mas Behi (prins Hangabehi, de oudste zoon) dat hij vanavond niet de kamer van de pusaka binnengaat; ik wil dat zelf doen. Dat was vreemd, want die opdracht had hij Mas Behi eerder zelf gegeven. Die dinsdag had vader tegen mij gezegd dat er iets ging gebeuren waarvan de mensen zouden schrikken en dat ik me daarop geestelijk moest instellen. Hij had een dwerg ontmoet die hem had gemaand de hele familie voor te bereiden, want "de tijd was aangebroken'.
""Toen de brand was uitgewoed, kwam vader naar mij toe. Ik weet niet of u dit gelooft, maar omdat ik aan het hof degene ben die het meeste danst, sta ik in nauw contact met Kanjeng Ratu Kidul (de majesteit van de Zuidzee), aan wie in het paleis op drie plaatsen wordt geofferd. "Moer', zei vader, "ga jij naar de zee om Grootmoeder te vragen of zij hiertoe bevolen heeft.' Ik ging naar Parangkusumo [de plaats aan de zuidkust waar Senopati enige tijd zou hebben samengeleefd met Dewi Loro Kidul en waar een omheind heiligdom is, red.]. Het duurde geen vijf minuten of Grootmoeder kwam. Ze zei alleen dit: "Tak Obong - de brand is mijn werk -, want de Javanen zijn vergeten dat ze Javanen zijn'.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.

Premier Rutte heeft een speciale band met Indonesië. Zijn vader was directeur van een handelsonderneming in Nederlands-Indië. Toen Rutte enige tijd geleden het Indonesische parlement mocht toespreken, schreef hij op Facebook: "Voor mijn geboorte woonden mijn vader en moeder lange tijd in Indonesië. Ik groeide op met de verhalen, de geuren en smaken van Indonesië." 
Hij zei dat hij bij het schrijven van zijn speech vaak heeft teruggedacht aan de verhalen van zijn vader. "Zijn persoonlijke levensgeschiedenis, en daarmee de mijne, zijn voor altijd verbonden met Indonesië."
Rutte zei in zijn persconferentie dat de dekolonisatieperiode geen belangrijk onderwerp is in zijn familiegeschiedenis. Zijn vader zat niet bij het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL). Het gaat in de familie wel vaak over de jappenkampen. De eerste vrouw van zijn vader overleed in zo'n kamp.

Toen ik dit las kreeg ik een wat narrig gevoel in mijn lijf. Las ik dat nou goed? Schrijft hij daar dat alleen de Japanse bezetting hem enigszins beroert maar dat alles wat tijdens de Bersiap heeft plaatsgevonden hem niet zo boeit.
Maar wat nog erger is, is het feit dat hij dit openlijk op Facebook plaatste en daarmee aangeeft dat de vele doden en andere slachtoffers uit juist die periode voor hem niet van belang is.
Was dat misschien een voorzet om te voorkomen dat eventuele wensen van al die Indische Nederlanders gehonoreerd zouden moeten worden.
Je zou toch denken dat uitgerekend hij meer begrip zou moeten opbrengen voor juist die periode die velen heeft genoopt om hals over kop destijds hun geboortegrond te verlaten met achterlating van al hun bezittingen, hun gelden en vaak zelfs hun kleding.

Dit werd veroorzaakt door enerzijds de halstarrige houding van Nederland ten opzichte van de wens van de Indonesische bevolking om hun eigen land te willen regeren. Anderzijds lag daar de oorsprong van de vele slachtoffers aan beide zijden die het onmogelijk maakte voor de Indische Nederlanders om te blijven in het land van hun hart, in het land waar hun navelstreng mee is verbonden.

Mark Rutte ga je diep schamen. Ik ben er van overtuigd dat je eigen vader zich van woede zou omkeren in het graf. De man die zijn vrouw daar moest achterlaten. Ja, ja, je schreef het al dat de Jappenkampen je wel wat doen. Je vergeet Mark dat de oorlog niet stopte op 15 augustus 1945.
Op 17 augustus brak opnieuw de hel los.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.

IK HEB VOOR MIJN ACHTERKLEINZOON DIT SPROOKJE GESCHREVEN.
Hij is nu 6 jaar en begrijpt via sprookjes bijna alles. Maar hij heeft geen idee wat Nederlands Indie was.
Waarom? Hoe leg ik een mannetje van 6 jaar uit wat er vroeger is gebeurd in het land waar Oma is geboren. Later als hij wat groter is geworden dan komt de rest wel.
Zoals u weet begint dat altijd met de vaste uitdrukking, gelijk aan dat van een sprookje; ER WAS EENS.
Er was eens heel ver weg een land vol met bruine muizen. Ook woonden er al heel lang een veel kleinere groep met witte muizen. Zoals in elk land ging men - met ups en downs - redelijk goed met elkaar om en daardoor was het een land waar het goed wonen was.
Vooral de hele kleine muisjes konden onbekommerd hun gang gaan mede omdat zij zich goed beschermd voelden door de grote muizen.
Oh ja, bij die grote muizen, zowel de bruine als de witte, was wel eens wat ruzie maar dat ontging de kleine muizen en zij konden normaal hun leventje leiden.
Er waren daar veel minder witte als bruine muizen, maar de witte muizen waren meestal de baas over all andere muizen.
Vaak kon je dat heel goed zien omdat de witte meestal een wat mooier holletje hadden en ook omdat zij dat holletje en de omgeving niet zelf hoefden te onderhouden. Nee, dat deden de hele bruine muizen voor ze. Die hele bruine kregen daarvoor wat extra muizenkorrels en daar leken ze tevreden mee.
Dat ging eigenlijk altijd goed totdat........in andere muizenlanden iedereen ruzie met elkaar kreeg en elkaar het leven onmogelijk gingen maken. Dat was het moment dat alle muizenstammen elkaar gingen bestrijden. Er was opeens geen plekje meer te vinden waar geen ruzie was en sommige muizenlanden maakten afspraken met elkaar om samen weer te vechten in andere muizenlanden.
Voor al de jonge muizen in al die landen werd het ineens onveilig, maar bovendien konden al die kleintjes er niets van begrijpen. Maar oké, in hun eigen land was het niet zo, dus maakten zij zich ook niet zo druk alhoewel zij wel steeds hoorden dat dit ook bij hun kon gebeuren ook al kenden zij toch niemand die zo slecht zou zijn om hun landje en hun leventje te verpesten en al hun muizenholletjes stuk te maken.
Maar dan, plotseling waren er ineens heel veel gele muizen op de velden. Zij waren met zoveel dingen gekomen en gingen echt de baas spelen over al die witte en bruine muizen. Al die witte muizen werden in heel aparte holen gestopt waar ze niet meer uit konden komen en al die bruine muizen mochten wel in hun eigen holletjes wonen maar moesten precies doen wat die gele muizen vertelden.
Nou dat ging niet altijd even goed. Die gele muizen pakten alle muizenkorrels in om zelf op te eten en de witte en gele mochten alleen maar toekijken. Als ze zelf wat korrels wilden terugpakken dan liep het slecht met ze af.
Gelukkig ging die tijd over. Het zag er naar uit dat alle muizen weer naar hun eigen landje terug zouden gaan en geen ruzie meer met elkaar gingen maken.
Maar Oh oh, wat een vergissing. De witte en de bruine muizen in dat ene verre land gingen gewoon door met ruzie maken.
De witte wilden weer, zoals vroeger, de baas zijn maar de bruine wilden dat niet meer en wilden ook de baas zijn en niet meer langer de dingen doen zoals de witten dat wilden.
En ja hoor, zij gingen daar zelfs over vechten. En ieder ander muizenland ging zich daar ook mee bemoeien.
Dus zoals altijd kregen de witte muizen extra veel problemen en moesten uiteindelijk met al hun jonge muizen weg uit wat toen alleen een bruine muizenland werd.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.

HET VERHAAL VAN EEN JAPANS-INDISCH KIND

 

Zoals in iedere oorlog tussen landen ontstaan er ook relaties tussen vertegenwoordigers van de bezettende macht met vrouwen en meisjes uit het bezette land. Zo ook tijdens de Japanse bezetting van het voormalig Ned. Indië. Veel van deze relaties kwamen onder dwang tot stand, maar soms ook op basis van vrijwilligheid. Immers waar mensen elkaar ontmoeten ontstaan ook verliefdheden die uiteindelijk tot een liefdesrelatie leiden. Er leven enkele honderden kinderen die uit een dergelijke relaties zijn geboren in Nederland en nog een veelvoud daarvan elders in Azië.
De moeders waar het hier om gaat zijn allen van Indische afkomst en waren in die tijd nog erg jong, veelal van 16 tot 21 jaar oud.
Het merendeel van de uit dit soort relaties geboren kinderen werd aanvankelijk nooit iets verteld over hun afkomst. Er werd in de familie angstvallig over gezwegen. Het werd een groot taboe. Pas op latere leeftijd kregen de meeste nakomelingen te horen dat zij een deels Japanse afkomst hebben. En daar begonnen dan ook de problemen. Maar dat was in vele gevallen ook het enige dat zij te horen kregen. Voor de rest werd het stilzwijgen bewaard. Door de houding van de omgeving, de ondergane vernederingen met de daarbij behorende angst, waren vele moeders inmiddels sterk getraumatiseerd en velen schaamden zich voor het door hen voortgebrachte kind en met heet feit dat zij in een zogenaamde verboden relatie hadden gezeten. Een overgroot deel van deze moeders werden nadien met hun kind of kinderen opgesloten in één van de Nationalistische kampen van de Indonesische vrijheidsstrijders.
Voor andere Nederlanders waren de Japans-Indische kinderen en hun familie hooguit iets exotisch, maar binnen de Indische omgeving werden zij gediscrimineerd, mede als gevolg van de vaak extreme wreedheden begaan door de Japanners en het feit dat deze kinderen hun uiterlijk niet konden verbergen. Zij zien er vaak erg Japans uit.
In die gevallen waarin dat niet gebeurde was het 't gezin zelf die het grote taboe in stand hield. Het kind te zijn van de vijand werd vaak een geestelijk drama. Zeer veel van deze kinderen raakten, vooral op latere leeftijd, in ernstige psychische problemen en hadden dringend hulp nodig om hun leven opnieuw in te richten en klaar te komen met het feit dat zij deels Japans zijn.
HOE IS HET MET MIJN VROUW MARY VERLOPEN?
Met een zwaar woord kan ik zeggen dat zij behoort tot de lotgenoten. Wij zijn nu - anno 2011 - zo'n 47 jaar getrouwd. Toen ik haar leerde kennen was zij 18 jaren en had ongeveer een jaar daarvoor formeel gehoord dat DE MAN WAARVAN ZIJ DACHT DAT HET HAAR VADER WAS, DAT HELEMAAL NIET WAS EN DAT ZIJ HET KIND WAS VAN EEN JAPANNER.
U begrijpt dat zij daar behoorlijk ondersteboven van was, mede omdat haar opvoedvader, voor haar, een hele goede vader was, alhoewel ze al vroeg in de gaten had dat zij in geen enkel opzicht iets van hem in haarzelf kon ontdekken. Nadat wij enkele weken met elkaar omgingen en onze relatie, zeker van mijn kant, serieus dreigde te worden, wilde zij de relatie beëindigen met de woorden; "dat zij niet was wat ik dacht dat ze was". Ik begreep van die opmerking natuurlijk geen moer. Nee, vertelde ze, ik ben anders een kind van de vijand. Het resultaat is dat wij nu nog steeds samen zijn, mede omdat het voor mij toen, en nu nog steeds, veel belangrijker was en is van "wie je bent en niet wat je bent". Vele jaren ging ons leven normaal zijn gang. 3 zoons werden ons deel en de een na de ander ging de deur uit om zijn eigen leven verder op te bouwen.
Totdat........
de eerste tekenen dat het niet goed zat zichtbaar werden. Bij sommige gelegenheden waar gesproken werd over de Jappentijd, vooral in Indische kringen waar wij veel in verkeren, ging Mary zich steeds ongemakkelijker voelen. Immers als men het had over "die rot Jappen" dan deed dat ergens goed pijn, terwijl ze de reacties en opmerkingen wel kon begrijpen, zeker vin het licht van de vaak wrede geschiedenis. Allerlei gelegenheden ging ze ontlopen en vluchtte als het ware weg.
Onze kinderen werden vooralsnog niet ingelicht over hun afkomst en de afspraak was dat dit pas zou gebeuren zodra Mary hier zelf aan toe was. Nou lieve mensen, dat heeft jaren geduurd.
Ik bespaar u alle momenten die uiteindelijk tot psychische problemen leidde, die haar hebben gevoerd naar een diepgravende therapeutische behandeling bij het Sinaï Centrum in Amsterdam van méér dan 2 jaar.
Nadat Mary haar kinderen, op haar eigen manier in 1995, inlichtte over hun deels Japans zijn en dat, tot haar grote verbazing, fantastisch door hen werd opgenomen, evenals door hun echtgenotes, gingen wij voor een kleine twee jaar naar Curaçao. Bij onze terugkeer in Nederland gingen wij tijdelijk inwonen bij mijn schoonmoeder en vonden bij haar op tafel een boekje van de Stichting Sakura. Wij kenden die club niet en vroegen haar wat of dat was. Ach, zei ze, ik heb hun geschreven omdat ik voor jou je vader wilde laten zoeken. Maar je moet het maar afschrijven want nu moet ik geld betalen en dat kan ik niet. Onmiddellijk gaven wij aan dat wij wel contact zouden opnemen met die Stichting en het laten overschrijven naar ons toe, omdat het uiteindelijk onze zaak was. Het ging immers om de vader van Mary. Vanaf dat moment heeft haar moeder nooit meer iets over dit onderwerp prijsgegeven. Op uitdrukkelijke vragen volgde huilbuien en opmerkingen als; "ik weet niets meer, laat maar zitten en ik ben alles vergeten".
Nadat wij met de Stichting Sakura in contact waren gekomen hebben wij ook een begin gemaakt met het op zoek gaan naar de biologische vader van Mary.
In 2002 kreeg zij de kans om mee te gaan met een reis naar Japan van 12 dagen. Het doel van deze reis was om een beter inzicht te krijgen in het Japan van nu en te verzoenen met het Japan van toen. Het was voor haar een indrukwekkende, confronterende en emotioneel zware reis, maar wel één die ze niet had willen missen. Daar in Japan ontdekte Mary heel goed dat ze deels Japans is. Velen leken op haar, zij kon door haar lichaamslengte iedereen recht in de ogen kijken en de kinderen die ze daar ontmoette waren vaak kopieën van onze eigen kinderen. Kortom ze werd heel erg geconfronteerd met zichzelf, niet alleen door herkenning, maar het versterkte ook een psychisch proces dat de "unheimische" gevoelens die al langere tijd een rol speelde, verhevigde. Een korte tijd na deze reis moest ze zich dan ook onder behandeling stellen om orde te brengen in de grote warboel die in haar hoofd was ontstaan.
De zoektocht naar haar vader met de Stichting liep op niets uit en derhalve besloot ik om het zelf te gaan proberen. Echter wie we ook aanschreven, overal kregen wij nul op het rekest. Natuurlijk allereerst omdat wij alleen beschikten over een achternaam zonder verdere gegevens en een spaarzame omschrijving als zou hij een hoge functionaris zijn geweest in het gebied rondom de beroemde Vorstenstad Solo (Soerakarta). Ook de persoonlijke contacten met de Minister of Foreign Affairs of Japan leverde niets op, mede omdat zij alleen wat konden doen als wij beschikten over een legernummer, geboortedatum en plaats. Nou, dat zijn nou juist de zaken die wij - en al onze lotgenoten - niet weten. Bovendien werd het al snel duidelijk dat de privacy voorschriften in Japan nog veel verder gaan als hier in Nederland en doorwerken tot enkele generaties terug. Een ander belangrijk facet dat een rol speelt is dat, zodra er sprake is van wat zij noemen "een aanzienlijke familie", dus een voorname familie dan wordt men helemaal huiverig omdat zij niet lastig gevallen mogen worden met de zonden van de voorouders.
Zo hebben wij ruim 6 jaar aangemodderd, ruim 3600 boeken en manuscripten doorgewerkt om maar een klein draadje te vinden die ons verder op de weg kon helpen. Totdat wij op het punt kwamen van opgeven, wij kwamen niet verder........en dan opeens zat ik de memoires te lezen van Sukarno. In één voetnoot kwam ik een verwijzing tegen naar ene Dr. Shigeru Sato die een proefschrift had geschreven over het Japans bestuur op Java gedurende deze oorlog. Ook vond ik een privé mailadres van hem. Binnen 36 uur had ik al enkele ,mailtjes met hem gewisseld en besloot Shigeru, die in Australië woonde en doceerde aan The University of New Castlle, naar Nederland zou komen om met ons kennis te maken, ons verhaal te horen en te bezien wat hij voor ons kon betekenen. Twee maanden later kwam hij inderdaad naar ons toe en hebben uitvoerig over alles gesproken. Bij zijn vertrek beloofde hij om samen met enkele Universitaire vrienden voor ons aan de slag te gaan.
Na weer enkele maanden kregen wij opnieuw bericht maar nu uit Japan van Prof.Oba. Zij hadden met Hr.Uchiyama de gegevens waar wij zo naarstig naar zochten gevonden. U begrijpt dat dit voor Mary een emotioneel hoogtepunt werd in haar leven. "IK BESTA ECHT", "IK MAG ER ZIJN". Het moment werd nogal aangrijpend omdat zij het bericht ontving toen haar moeder in het ziekenhuis lag, die daar op dat moment in kritieke toestand verbleef.
Ook daarna zijn wij enorm geholpen door een andere vriendin van ons Yoko Watanuki die in alle perioden zeer veel zaken voor ons heeft gedaan. Al deze mensen zijn wij natuurlijk de rest van ons leven buitengewoon dankbaar.
Sindsdien weten wij dat haar biologische vader Touki Okada heet, in 1894 is geboren en afgestudeerd is in de Engelse letteren aan de Universiteit van Tokyo in 1918. Hij is in 1986 overleden op 92 jarige leeftijd en gedurende de oorlog was hij als Attaché de hoogste bestuurder belast met cultuur en onderwijs op Midden Java en gelijkgesteld met de rang van Kolonel.
Er zijn nog 4 dochters van hem in Japan woonachtig, dus halfzusters van Mary. Het contact met hun verloopt uiterst stroef. Men wil de familie hierbuiten houden, maar wij mogen wel alles vragen.

Reactie plaatsen

Reacties

Arthur Dias
een dag geleden

Mooi emotioneel verhaal Bung Han

WAT IS DAT NOU? DIE BERSIAP PERIODE IN HET VOORMALIG NEDERLANDS INDIE.

 

Oh zeker, dit is geen prettig artikel en misschien een beetje lang. Maar het moet gehoord worden.
Van veel mensen heb ik vernomen dat zij niet echt goed weten wat nou de Bersiap is waar Indischen en Molukkers steeds over praten.

Voor zelfs velen was deze periode zwaarder en erger dan de vaak genoemde Japanse bezetting met al zijn gruwelijkheden.

Met dit artikel probeer ik te laten zien wat die Bersiap tijd nu werkelijk inhield. Natuurlijk als je dit hebt meegemaakt dan weet je waarover in schrijf, maar voor de jongere generatie en voor de vele anderen kan dit verhelderend werken.

Het grote geweld begon niet meteen na de Japanse capitulatie op 15 augustus 1945 en het uitroepen van de Indonesische onafhankelijkheid twee dagen later. Bijna alle ooggetuigen vertellen dat de golf van intimidatie en moord pas werkelijk losbarstte in oktober.

In de loop van de Japanse bezetting waren zo’n 100.000 Nederlandse burgers in interneringskampen opgesloten. Daarnaast waren er 42.000 Nederlandse soldaten krijgsgevangen, van wie er velen op verschillende plaatsen in Indonesië en andere delen van Azië waren tewerkgesteld.

Toen in de gevangenkampen het bericht kwam dat Japan had gecapituleerd, waagden velen zich buiten de omheining. Er was weinig te merken van animositeit. Ook Indische Nederlanders die niet geïnterneerd waren geweest, merkten dat ze rustig over straat konden. Heel even leek het alsof het vooroorlogse leven weer zou kunnen terugkeren.


Schijn bedriegt
Dat dacht ook A.F.R. Ruyter de Wildt, die voor de oorlog chef van een suikerfabriek in Oost-Java was geweest en tijdens de Japanse bezetting werd geïnterneerd in een mannenkamp in Tjimahi, bij Bandoeng op West-Java. Hij noteerde in zijn dagboek dat hij pas op 22 augustus van de Japanse overgave hoorde. Hij begaf zich al snel op straat, waar alles vrij rustig was en zelfs weinig rood-witte vlaggetjes te zien waren. Europeanen konden vrij rondlopen en werden op de markten hoffelijk bejegend.

Vanaf eind september leek er pas echt iets te veranderen
Toch kwamen er al snel berichten dat Europeanen werden gemolesteerd en zelfs vermoord. Hierop beval de geallieerde bevelhebber voor Zuidoost-Azië, Louis Mountbatten, de Europeanen in de kampen te blijven en zich niet op straat te begeven. Dat hielp wel, hoewel velen de raad in de wind sloegen. Maar voor verreweg de meeste Europeanen, vooral Indische Nederlanders, die niet in een kamp hadden gezeten, gold dat niet. Zij liepen dan ook het grootste gevaar slachtoffer te worden van aanvallen van Indonesische bendes.

Bijna overal kwam het geweld pas goed op gang toen de eerste Britse troepen en een handjevol Nederlanders op Java aan land kwamen. Vanaf eind september leek er pas echt iets te veranderen. Zo ook in Bandoeng. Je zag er Indonesische spandoeken die de Nederlanders opriepen weg te blijven. Steeds meer Indonesiërs verschenen op straat, gewapend met messen, stokken en bamboesperen. Veel van deze jongens waren afkomstig uit de arme stadsbuurten, waar zij gemakkelijk te mobiliseren waren.
Wie waren de geweldplegers?
In een dagboek van mijn oom beschrijft hij plastisch hoe ‘veel volk gewapend met messen, speren en dolken uit de dessa gangetjes kwamen opdagen’, en hij voegde eraan toe: ‘Dit uitvaagsel dacht zeker dat er geknokt zou worden, ze wilden dan bij een eventueele plundering aanwezig zijn.’ Hij hield het, zoals zoveel Nederlanders met hem, kennelijk niet voor mogelijk dat de Indonesiërs politiek geïnspireerd zouden zijn.
Wie schuilden er achter de naam ‘extremisten’?
Er hangt veel mist rond het extreme geweld van de Bersiap-tijd. Waar kwam dat nu vandaan? Wie waren de daders? Wie schuilden er achter de naam ‘extremisten’ die de Britten en Nederlanders op de geweldplegers plakten? Waren het criminelen, opgehitste jongeren, opportunistische sadisten, religieus fanatici? En wat was hun motief? Iedere oorlog heeft natuurlijk zijn pathologische moordenaars, maar de frequentie van de moorden maakt het moeilijk om die in de schoenen te schuiven van een kleine groep sadisten of criminelen.

Opgehitste jongeren
Indertijd gaven Nederlanders de schuld vooral aan de Japanse propaganda, die de Indonesische jongeren tegen de Nederlanders had opgehitst. Zelf noemden de strijders zich veelal pemuda, jongeren, maar zo jong waren ze niet allemaal. Wel kwamen de meesten uit de lagere klassen en uit de armere stadsbuurten of dorpen. Door hun kansloze situatie haakten zij naar verandering en waren zij het meest vatbaar voor radicalisering.

Het gevoel van crisis moet veel jongeren ertoe hebben aangezet zich bij strijdgroepen te voegen
Daardoor waren ze ook een dankbaar object voor lokale leiders die hun volgelingen juist in de stadskampongs ronselden. De mogelijkheid om zaken in eigen handen te nemen, zeker na de ellendige Japanse bezettingstijd, bracht veel jongeren in staat van opwinding. In die zin was de geest van de revolutie er ook een van ongekende vrijheid en mogelijkheden, als een persoonlijke vervolmaking.

In de eerste maanden na het uitroepen van de onafhankelijkheid ontstond er op veel plaatsen een wirwar van strijdgroepen met eigen leiders en een eigen agenda. Er was nog geen sprake van een geregeld Indonesisch leger en de republikeinse regering kon geen sterk gezag laten gelden. Het gevoel van crisis en politieke urgentie moet veel jongeren ertoe hebben aangezet zich bij de strijdgroepen te voegen, net als het vooruitzicht op plundering.

 

Scharnierpunt in Indonesië
Het meeste geweld, los van de strijd tussen meer reguliere republikeinse en Britse en Nederlandse troepen, werd gepleegd door radicale nationalisten, islamitische strijdgroepen als de Hizbullah en Sabillilah, en groepen met meer criminele achtergronden. Zij hadden gemeen dat ze moeilijk onder het gezag van het prille leger van de Indonesische Republiek te brengen waren en vaak hun eigen plan trokken. Dat maakte dat de toeschouwer politiek strijder en misdadiger nauwelijks kon onderscheiden – en in veel gevallen was er ook geen verschil.

De komst van de geallieerde legers gaf het gevoel dat men haast moest maken
Hoewel criminele en opportunistische motieven een rol speelden, was veel van het geweld op z’n minst politiek geïnspireerd. Indonesiërs raakten zich sterk bewust van het scharnierpunt waarop het land zich bevond. De regering van de nieuwe republiek begon zich steeds sterker te manifesteren en ook revolutionaire leiders riepen het volk op zich bij de revolutie aan te sluiten. De komst van de geallieerde legers gaf de Indonesische revolutionairen het gevoel haast te moeten maken, wilden de oude kolonisatoren niet weer de overhand krijgen.
De toenemende botsingen met Japanse troepen, die na de capitulatie de orde moesten bewaken, en met Britse militairen stimuleerden de pemuda tot radicale actie. Op veel plaatsen deden Indonesische groepen een aanval op wapendepots van de Japanners, met wisselend succes. Het geweld tegen burgers nam hand over hand toe, omdat de dreiging van koloniale herbezetting van alle Nederlanders een vijand maakte.

Indonesië voor de Indonesiërs
Op 7 of 8 oktober 1945 riepen republikeinen op Java op tot een boycot van Europeanen in de winkels. Revolutionairen wierpen barricades op en deden huiszoeking. Europeanen werden op straat aangehouden en tot hun afgrijzen gefouilleerd door gewapende Indonesische jongens. Mijn oom schrijft in zijn dagboek dat hij zich ‘het beschamende [moest] laten welgevallen door een troep schofjes gefouilleerd te worden’.

De politieke strijd kreeg een sterk etnische dimensie
In veel steden gingen groepen pemuda langs de straten en joegen de bewoners de stuipen op het lijf met geschreeuw en nachtelijk lawaai. Steeds meer huizen werden gerampokt (geplunderd). Inwoners werden de bossen in gejaagd, waar ze vaak het slachtoffer werden van andere bendes. Ook verschenen er pamfletten die de bevolking opriepen de Indo-Europeanen uit te roeien.

De politieke strijd kreeg hiermee een sterk etnische dimensie, waarin het ‘Indonesië voor de Indonesiërs’ leidde tot haat voor het niet-eigene. In Soerabaja werd deze omslag misschien wel op de meest dramatische manier duidelijk toen een geïmproviseerd tribunaal tegen de massaal gearresteerde Nederlanders ontaardde in een martel- en moordpartij onder de kreet ‘Dood aan de blanken’. Enkele tientallen Nederlanders werden hierbij vermoord; enkele honderden raakten gewond.

Intenering op republikeins gebied
De Nederlanders buiten de kampen – veelal Indische Nederlanders – lieten zich niet onbetuigd en organiseerden hun eigen strijdgroepen om hun huizen en gezinnen te verdedigen en de moorden te vergelden. Ook Molukkers waren in deze groepen actief, omdat zij vaak het doelwit van de moordpartijen waren. Molukkers waren voor de oorlog dikwijls soldaat in het Indische leger geweest en waren goede vechters.
De internering betekende voor velen een periode van nieuwe ellende.

De Nederlandse milities opereerden vooral in Batavia. Ook zij maakten zich schuldig aan overmatig geweld. Vaak lieten ze zich leiden door wraak, waarbij een moord op een Europeaan of Molukker in veelvoud werd vergolden. Op deze wijze escaleerde het geweld, maar de Nederlands-Molukse milities waren wel in staat om sommige buurten enige bescherming te bieden.

De Indonesische leiders bevalen op 12 oktober om de Nederlandse mannen op republikeins gebied te interneren; later volgden vrouwen en kinderen. Het is aannemelijk dat de arrestaties waren bedoeld om hen tegen verder kwaad te beschermen, maar ongetwijfeld ook om te voorkomen dat de Nederlanders zelf de wapens zouden opnemen – zoals her en der gebeurde. De internering betekende voor velen een periode van nieuwe ellende, maar heeft hen ook behoed voor verdere terreur.
Mijn vrouw Mary met haar moeder en zus werden daarop opgesloten in achtereenvolgens de kampen Sinkokan en Kletjo.

Misdrijven van de BKR (onderdeel van het Indonesisch leger).
In de maanden die volgden waren het ironisch genoeg juist de Nederlanders buiten republikeins gebied die het meeste gevaar liepen. Het geweld nam soms gruwelijke vormen aan. Zo haalden op een dag in december 1945 drie leden van de Badan Keamanan Rakjat (Volksveiligheidsorgaan, het republikeinse leger) twee vermoedelijk Indo-Europese vrouwen in een station in een voorstadje van Batavia uit de trein en voerden hen naar het plaatselijke kantoor van de BKR, dat in een voormalig landbouwkantoor was ondergebracht.

Het geweld nam soms gruwelijke vormen aan
Na een summiere ondervraging riep de leider van de BKR zijn manschappen en de omwonenden bijeen. De vrouwen werden ontkleed en door een reeks mannen verkracht, naar buiten gesleurd en onderworpen aan een publieke marteling met gloeiende ijzerstaven en een langdurige afranseling. Uiteindelijk werd hun de hals doorgesneden. De lichamen werden in een put op het erf gegooid.

Dergelijke rituele slachtingen verbijsterden de autoriteiten en zaaiden grote angst onder de Europese bevolking. Dat was natuurlijk de bedoeling, maar er was nog een ander motief: de behoefte aan vernedering en ontmenselijking van tegenstanders. Waar die vandaan kwam, is slechts te gissen. Er is wel betoogd dat Indonesië een rampok-cultuur had, of dat er ‘reservoirs’ van geweld bestonden die tijdens de revolutie geactiveerd werden, of dat wraakneming eigen is aan de Indonesische rechtscultuur.
De term Bersiap
Maar we hebben deze rituelen ook leren kennen in recente uitbarstingen van etnisch geweld, en we kunnen ze beter verklaren uit de politieke toestand en de aard van de strijdgroepen dan uit iets ongrijpbaars als cultuur. Hoewel er ook in vooroorlogse Indië etnisch geweld voorkwam, was dat heel wat anders dan de explosie van de late jaren veertig. In die periode van agitatie en straffeloosheid kon het geweld als nooit tevoren opbloeien.

'Bersiap’ is in Nederlandse kringen ingeburgerd om de periode van eind 1945 aan te geven
De term ‘Bersiap’ is in Nederlandse kringen ingeburgerd geraakt om de periode van chaos, moord en onzekerheid van eind 1945 aan te geven. Deze periode hield aan tot begin 1946, toen de gezamenlijke Britse en Nederlandse troepen de situatie in de steden, waar de meeste Europeanen hun toevlucht zochten, wisten te stabiliseren. In de grote steden was de Bersiap daarmee grotendeels ten einde, maar het geweld ging elders door.

Nederlanders en Indische Nederlanders waren volstrekt niet de enige slachtoffers van het geweld van Indonesische bendes. Op allerlei plaatsen werden andere mensen het doelwit van afpersing, mishandeling, roof en moord. Het betrof groepen en personen die met de Nederlanders werden geassocieerd of niet als rechtgeaarde Indonesiërs golden, zoals de Molukkers. Op veel plaatsen werden bestuursambtenaren uit de koloniale tijd vermoord, maar ook buitenstaanders die enige rijkdom hadden vergaard.

Geweld tegen Chinezen
Een kwetsbare groep was die van de Chinezen, die zich in de koloniale tijd hadden ontpopt als winkeliers, ondernemers en geldschieters. Voor de revolutionaire strijders, of wie daarvoor wilde doorgaan, waren de Chinezen een gemakkelijke prooi. Bovendien waren ze vaak herkenbaar aan hun naam en uiterlijk. Enkele duizenden Chinezen zijn in de loop van de revolutiejaren vermoord en tientallen huizen geplunderd en vernield.
Enkele duizenden Chinezen zijn in de loop van de revolutiejaren vermoord.

Het meeste geweld kwam voor in de schemerzone waar de Indonesische Republiek haar gezag niet kon laten gelden en ook de Nederlandse autoriteiten geen orde konden bewaren. Dat werd bijvoorbeeld duidelijk tijdens de politionele acties in juli 1947 en december 1948, toen de Nederlanders grootscheepse offensieven inzetten op Java en Sumatra.

De republikeinse legers wisten dat zij het onderspit zouden delven en trokken zich van de frontlinies terug. Ze gaven de ruimte aan vernielingscommando’s en ongeregelde troepen. Op veel plaatsen richtten die een ware terreur aan. Niet alleen fabrieken en openbare gebouwen werden vernield, ook werden winkels en woonhuizen van Chinezen geplunderd en de inwoners afgevoerd. Soms werden de Chinezen dagen achtereen van dorp naar dorp gesleept, en in enkele gevallen collectief omgebracht.

Afkeuring van de republikeinse regering
In Madjalengka, niet ver van Cheribon op Java’s noordkust, werden tijdens de eerste politionele actie in juli 1947 bijna tweehonderd Chinezen gedeporteerd en na twee weken zeulen in de bossen geëxecuteerd. De troepen die de brandstichting, ontvoering en moord op touw zetten, waren een gemengd geheel. Ooggetuigen zagen vaak dat militairen en officieren van het Indonesische leger deelnamen. Ook dorpshoofden waren soms betrokken bij de razzia’s. In het geval van Madjalengka was een speciale eenheid uit de buurt van Batavia gekomen om de executie uit te voeren.

De legerleiding deed veel moeite om plaatselijke bendes in het gareel te brengen
De republikeinse regering, die in Djogjakarta zetelde, heeft het geweld altijd afgekeurd. De Indonesische leiders was de terreur die plaatselijke groepen uitoefenden – soms dus met medewerking van militairen – een doorn in het oog. De legerleiding deed veel moeite om plaatselijke bendes in het gareel te brengen, maar veel groepen bleven zich aan het centrale gezag onttrekken. Aan de andere kant kon de Republiek ook gebruikmaken van deze bendes, voor de guerrillastrijd tegen de Nederlanders in bezette gebieden en voor vernielingsopdrachten.

Hoeveel slachtoffers in de Bersiap van de eerste maanden na de onafhankelijkheidsverklaring en de daaropvolgende jaren van revolutie zijn gevallen, is onmogelijk aan te geven. De meest behoudende schatting is 3500 burgerdoden, maar het kan net zo goed een veelvoud zijn geweest.

Het einde van de Bersiap
Terwijl het begin van de Bersiap vrij goed is aan te geven, is het einde onmogelijk te bepalen. De geest van geweld die in de laatste maanden van 1945 ontsnapte, was moeilijk te bedwingen. Het geweld dat in oktober 1945 begon, bleek niet te stoppen en is doorgegaan tot na de soevereiniteitsoverdracht. Veel Europeanen, Chinezen en anderen zijn in de volgende jaren vermoord. Tot ver in de jaren vijftig bleven er plaatselijke bendes actief die het op Europeanen, collaborateurs en welgestelden gemunt hadden.
Tot ver in de jaren vijftig bleven er plaatselijke bendes actief
Er is over de langdurige en moeizame losmaking van Indonesië veel gedebatteerd, maar de geweldstraditie die in de revolutiejaren is gevestigd, behoort tot een van de meest ongelukkige en desastreuze erfenissen van de dekolonisatie.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.

IK KAN HET NIET VAAK GENOEG VERTELLEN.

DE NEDERLANDSE OVERHEDEN KREGEN, ZO ZIJ DAT AL NIET HADDEN, BLOED AAN HUN HANDEN IN NEDERLANDS INDIE.

1946 IS ZO'N CRUCIAAL MOMENT.
De oproep van Koningin Wilhelmina in 1946 om de “Indische” mensen te helpen, legden zowel de Nederlandse als de Nederlands Indische autoriteiten naast zich neer.
De Nederlandse politici waren noch in staat noch bereid de politieke realiteit in de wereld te onderkennen. Daarnaast kampten ze met de Nederlandse behoefte morele oordelen uit te spreken. Ze hadden zichzelf al in een hopeloze positie gemanoeuvreerd door Amerikaanse hulp voor herstel van de orde in Nederlands Indië af te wijzen. Daardoor konden ze pas in november 1946 Nederlandse troepen naar Nederlands Indië sturen. (In februari 1946 kwam een detachement mariniers in Soerabaja aan).

Bij de capitulatie van Japan was afgesproken dat de Japanners de orde zouden handhaven tot de Nederlandse troepen zouden arriveren. Toen deze dat, na de erkenning van de Indonesische Republiek door de Britten op 29 september 1945, weigerden en de verantwoordelijkheid legden bij de Indonesische regering, kon Den Haag alleen machteloos mopperen over zoveel onrechtvaardigheid.

Zowel de KVP als de PvdA wilden hun zo pas verworven macht niet op het spel zetten voor een onafhankelijk Indonesië.
Meningen in politiek Nederland:
-dat waartoe wij blanken verplicht zijn, is de opvoeding der bevrijde volkeren overal ter wereld,
-met Indonesiërs kun je niet onderhandelen omdat ze: “onbetrouwbaar zijn, zoals alle bruinen” (Drees),
-Indo’s kunnen ongezonde kernen in ons volkslichaam doen ontstaan,
-drop die Indische mensen maar op de eilandjes bij Nieuw Guinea (voor de oorlog waren er al ideeën dat de Indo-Europeanen op Nieuw Guinea moesten gaan wonen),
-er is in Nederland noch werk noch zijn er woningen voor de mensen uit Indië,
-voor economisch herstel moet de vooroorlogse koloniale bedrijvigheid terugkeren zowel in Nederland als in de Indische Archipel.

In het algemeen meenden de Nederlanders dat de Indonesische bevolking verwachtte dat de Nederlanders hun opvoedende taak zouden afmaken; ook dat Nederland Indonesië niet zomaar aan zijn lot kon overlaten.
Daarnaast was met name het Indische ambtenarenkorps fel tegen de erkenning van de Republiek op korte termijn, “zij hadden hun werk nog lang niet afgemaakt’.
Verder moesten Nederlandse ex-krijgsgevangenen na de oorlog de Indonesische dwangarbeiders (romusha’s) opvangen en naar hun huis begeleiden, waarbij ze geen medewerking kregen van de “nationalisten”.

Velen beschouwden het Indonesische vrijheidsstreven ook als de behoefte van Javanen om te heersen over de andere Indische volkeren. De Indische Nederlanders meenden oprecht dat de gewone Indonesiër na de Japanse bezetting verlangde naar veiligheid en welvaart onder Nederlandse leiding. Te gemakkelijk werden de medestanders van Soekarno als collaborateurs, opportunisten en communisten gezien.
De Nederlanders wensten de Japanse oorlogsmisdadigers te vervolgen terwijl de Indonesische nationalisten daar geen behoefte aan hadden.
Na de soevereiniteitsoverdracht werden de veroordeelde Japanners die gevangen zaten overgebracht naar Japan.
17 augustus 1945
De Japanse vice-admiraal Maeda stelt een onafhankelijkheidsverklaring op en stuurt Indonesische jongeren (pemuda’s) naar Soekarno om hem te dwingen deze verklaring publiekelijk bekend te maken. Hij had ook de Indonesische grondwet opgesteld (november 1945 stelt Sjahrir een nieuwe democratische grondwet op, in 1958 wordt de “Japanse” grondwet weer van kracht) en was mede samensteller van het eerste Indonesische kabinet van 1 september 1945.

De Japanners hadden Pancadharma bedacht: in leven en in dood, voor en na de oorlog, voor een Groot Oost-Aziatische Welvaartssfeer, altijd onder leiding van Japan (variant Pancasila). Zij wilden Soekarno als vorst van Indonesië aanstellen. Zij doopten hun persbureau in Batavia om van Domei in Antara. Ze lieten de radio 24 uur per dag in de ether zijn, waarbij om het uur werd opgeroepen om alle blanken en hun “honden” te doden. Meer dan 1.000 officieren en onderofficieren moeten een Indonesisch leger oprichten.
De Japanse generaal Iwabu ging met 20.000 van zijn soldaten op pad, om de Javaanse jongeren te helpen de Keizerlijke opdracht uit te voeren:
“dood alle blanken en dood alle christenen.”

2 september 1945
Na de ondertekening van de Japanse overgave landen Australische troepen, met een paar duizend Nederlanders, in de Grote Oost en Borneo. De Britten hebben nog geen troepen waardoor alleen wat officials op Sumatra en Java landen.

29 september 1945
-De Britten erkennen de facto de Indonesische republiek. Ze ontschepen in drie weken 40.000 manschappen. Uiteindelijk landen er in 1945 ongeveer 82.000 manschappen, 10.000 Britten en 72.000 Indiërs (Sikhs en Gurka’s)
.
2 oktober 1945
Soekarno verklaart Nederland de oorlog. Indonesische jongeren (pemuda’s later genaamd djahats wat terreurmisdadigers betekent) op met name Java, tussen 8 en 14 jaar, verblind na drie jaar van indoctrinatie door de Japanners en hun eigen leiders en al dan niet door Japanners bewapend, trokken plunderend, verkrachtend, verminkend en moordend door het land op zoek naar blanken en bevolkingsgroepen die zich in de oorlog anti Japans hadden opgesteld, zoals de Indo-Europeanen, Chinezen en aanhangers van een christelijke godsdienst zoals Minahassers, Timorezen en Molukkers. Daarnaast werden er ook dorpshoofden vermoord die in de oorlog gedwongen waren geweest om dwangarbeiders voor de Japanners te leveren. In de laatste maanden van 1945 zijn naar schatting 3.500 blanken en 30.000 “anderen”, alleen al op Java afgeslacht, voor het merendeel vrouwen en kinderen.
Dat was de bersiaptijd.

De Nederlandse politici vonden dat vanwege dit moorden door “de Indonesische nationalisten” de wereldopinie op de hand van Nederland diende te zijn. Maar het tegendeel was het geval.
Misschien moet je wel concluderen dat door haar houding in die tijd de Nederlandse overheid sinds die tijd zij bloed aan de handen hebben van duizenden landgenoten.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.