Han dehne alias pakhan

TOEVAL BESTAAT NIET.......OF WEL?.
EEN TYPISCH INDISCH VERHAAL OVER ONZE OVERGROOTMOEDER EN HET IS NOG ECHT GEBEURD.
Geheel onverwacht vond ik een oud exemplaar uit juni 1995 van het tijdschrift “Moesson”. Wat een verrassing dat in dat tijdschrift een artikel staat over de overgrootmoeder van mijn vrouw Mary Stolze.
“Dit verhaal speelde zich af in de dagen, toen Oma Stolze nog in haar statige huis op Tambaán in Soerabaja woonde. Het ruime oude gebouw, dat nog uit de VOC-tijd stamde en waar familie, zo lang men zich kon herinneren, heeft gewoond. Het was tegen het einde van de 19e eeuw, toen in Indië alles nog kalm ging en in grote stijl.
Oma die van zichzelf Johanna Hendrika Elisabeth Meijer heette, was een bijzondere vrouw, die haar huishouden op een rustige maar straffe wijze bestuurde. Ze had niet minder dan 15 kinderen ter wereld gebracht, allemaal thuis en met de vroedvrouw, zonder dokter en zonder complicaties, en voor elk van die kinderen was ze een liefhebbende en zorgzame moeder.
Oma bezat nog iets anders, ze was sterk mediamiek, helderziende zou men kunnen zeggen. Ze zag dus verschijningen, gewoon midden op de dag; meestal waren het overleden familieleden. Oma voerde gewoon gesprekken met hen en geen van de kinderen vond dat vreemd, of dacht er aan om die ontmoetingen van Oma in twijfel te trekken, het was nu eenmaal zo..
Op een keer was het hele gezin weer eens verzameld op Tambaán, misschien wel Oma's verjaardag, wie zal het zeggen? Oma had altijd één grote wens gekoesterd, ze wilde zo graag een portret bezitten, waar al haar kinderen op stonden.
Ja, als je ouder wordt, dan weet je, dat alle kinderen één voor één het ouderlijk huis verlaten en dan krijg je ze niet meer zo makkelijk bij elkaar. Dus had zij voor die bijzondere gelegenheid de Chinese fotograaf ontboden. Deze zou een mooi portret maken, waar ze allemaal op stonden.
Daar zag je ze naar buiten komen, de zoons en de dochters, allemaal netjes aangekleed en schoon gewassen. Ze kwamen op de treden van het huis, bij de open voorgalerij, waar de witgekalkte potten stonden met de palmen, die een afscheiding vormden tussen huis en erf en waar grind van het voorpad keurig was aangeharkt door de kebon.
De jongens waren een tikje onwennig in hun zondagse pakken, ze wriemelden wat met hun handen in de broekzakken, op zoek naar knikkers of ander jongensspul, de meisjes waren lieftallig getinte schoonheden. De grootsten al hele jonge dames, met hun ingenomen taille en hun reeds ontluikende figuur, hun lange jurken met fraai kant afgezet. Hun fluweelzachte wangen, met daarin de donkere dromerige ogen. Ik hun houding waren ze een tikje gereserveerd tegenover hun jongere broertjes en een beetje neerbuigend.
En de allerjongste, Eliza (zij werd later de moeder van o.a. Paatje Phefferkorn, de Pencak Cila goeroe), nog een kind van amper 6 jaar, in een fijn roze jurkje en met korte witte sokjes.
De fotograaf was bezig met de driepoot van zijn apparaat en sloeg de zwarte doek over zijn toestel. Hij probeerde wat aanwijzingen te geven om de groep zo gunstig mogelijk op te stellen.
Terwijl hij lopende was, sprak Oma: “We moeten nog heel even wachten, we missen Jantje nog”. (Jantje was haar oudste zoontje, die al een aantal jaren daarvoor op 19 jarige leeftijd was overleden aan hoge koortsen). Maar dat was voor Oma geen reden, zij wilde Jantje erbij hebben.
En terwijl iedereen nog een beetje onwennig bleef treuzelen, sprak Oma in alle kalmte: “Ja, daar is hij al, kom Jantje, ga daar maar staan, tussen je zusters Melie en Paulien.” De beide meisjes maakten plaats en toen alles naar haar zin was, vroeg Oma aan de fotograaf of hij de opname wilde maken.
Na dit tafereeltje ging iedereen weer naar binnen, waar in de koele binnengalerij de lange tafels gedekt stonden met allerlei heerlijkheden, die de kokki met haar helpsters op aanwijzingen van Oma hadden toebereid.
De foto's waren na een paar dagen klaar en toen de Chinese fotograaf ze had afgeleverd bleek dat Jantje er heus op stond.
Oma was daar helemaal niet verbaasd over, ze had er vast op gerekend, maar alle anderen konden hun verwondering niet op. Niet zo scherp als een levend wezen, maar toch duidelijk herkenbaar, gekleed in zijn gestreepte pyjama, dezelfde waarin hij jaren geleden te ruste was gelegd.
Helaas is de foto zelf verloren gegaan nadat hij vele jaren bij de familie Visker (destijds de grote man van het Indisch Familie Archief) aan de wand heeft gehangen, maar waarschijnlijk door de vele verhuizingen is die foto kwijtgeraakt, net als zoveel andere zaken die ook zijn kwijtgeraakt.
Een aanvulling van mijzelf. Jantje werd geboren op 17 januari 1868 en overleed in 1887. In leven was hij toen Waarnemend Administrateur bij Sindoram. Was ongehuwd.
Zijn vader en de man van Oma Stolze was Jan Stolze, geboren op 23 april 1820 in Makassar en een zoon van Jan Stolze, geboren in 1795 in Hoorn, Kapitein-luitenant ter zee bij de Koloniale Marine en Mietje Claproth eveneens geboren in Makassar.
Toelichting foto: Dit was de man van Oma Stolze. Van haar bestaan geen foto's tenzij uit onverwachte richting deze alsnog boven water komen. Zijn jongste dochter Eliza is de moeder van Paatje Phefferkorn)

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.

Werd ik afgelopen nacht wakker zo rond 3 uur, hoor ik heel zacht kerstmuziek spelen. Kijk ik eerst op mijn mobiel of daar de muziek nog aan stond, maar dat was het dus niet. Mijn wekker ook niet en ook niet via de tablet. Het kwam van buiten de slaapkamer. Ik de slaapkamer uit, sta ik op de overloop, kwam het dus blijkbaar van uit de woonkamer terwijl ik hier dus gewoon in bed lig, hè?! Nou, dan gaan er rillingen over je rug, kan ik je zeggen.
Toen dus langzaam richting de woonkamer geslopen, kom ik in de woonkamer; Niets. Maar ik hoorde nog steeds kerstmuziek, alleen nu iets harder. Loop ik naar de keuken lijkt het uit de koelkast te komen.
Open ik de koelkast wordt de muziek in één keer veel harder en wat denk je dat het is?


De Blueband!

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.

HET ZOU ZO MAAR EEN KERSTVERHAAL KUNNEN ZIJN……
Maar het heeft toch een boodschap die overal en altijd zou passen.


Eigenlijk is dit geen kerstverhaal. Het is niet eens een verhaal; het is een verslag, een doodgewoon verslag van iets dat ergens gebeurde. En dan mist het zelfs nog de actualiteit die een verslag gewoonlijk kenmerkt, want het is al méér dan 70 jaar geleden gebeurd.
Wie bekommert zich daar nu nog om??
Maar het kerstverhaal, het echte kerstverhaal, was tenslotte ook niet zomaar een verhaal.
Ook dat is oud nieuws, van zo’n 2017 jaar geleden. Wat doen dus daar die paar decennia ertoe? Overigens bestaat er nog een eigenaardige overeenkomst, al zult u die misschien wat vergezocht vinden.
Het oude kerstverhaal speelde zich af in een stal. Dat van 65 jaar geleden gebeurde ook in een stal. Nu ja, geen echte stal, maar het leek er wel veel op. Het was een sombere loods, waarin een vrijwel permanente duisternis heerste. Maar daarbuiten straalde het licht fel en glorieus, zowel overdag als ’s nachts.


Die loods stond namelijk in een tropisch gebied, onder een gloeiende brandende zon, maar ook onder een fantastische sterrenhemel. En een maan, die veel groter leek dan men ooit in Europa ziet.
Er woonden mensen in die loods, hoewel wonen een beetje te sterk is uitgedrukt. Ze waren er opgeborgen. Want iets verder, daarbuiten, liet de zon of de maan kleine vonkjes glinsteren vanaf het prikkeldraad, voor zover dat in de loop van de jaren niet al was verroest. Want het duurde nu al jaren – of waren het misschien eeuwen?
Je kon het zo niet zeggen, je was te moe en te ziek en te zwak om zelfs de uren en dagen bij te houden. Dat deed je aan het begin. Nu was dat allang voorbij. Je werd meer met de eeuwigheid geconfronteerd dan met de dag of het uur. Want er stierven er zoveel, naast je en overal om je heen, door honger, dysenterie, andere tropische ziekten – of alleen maar omdat ze niet meer wilden leven. Hun laatste sprankje hoop was uitgedoofd.


Niettemin probeerden ze het nog een beetje te rekken in dat concentratiekamp. Waarom, ach dat wist je eigenlijk niet meer. Aan het einde van de oorlog, aan bevrijding kon je allang niet meer geloven. Je leefde verder uit een soort routine, in een verdoofde toestand, afgestompt en met nog maar één drift, die zo nu en dan als een wild beest naar je keel sprong; eten, eten, maakt niet uit wat. Maar er was niets, ze werden systematisch uitgehongerd. Zo nu en dan ving iemand wel eens een slang, of een ander dier, een rat bijvoorbeeld. Besteed er maar geen aandacht aan, niemand die het overleefd heeft praat daar nog graag over.
Er was één man in dat kamp, die nog iets eetbaars bezat. Een kaars.
Een gewone waskaars.


Natuurlijk had hij die destijds niet meegenomen of bewaard om op te eten. Een normaal mens eet geen kaarsvet, hoewel ze zeggen dat de kozakken er vroeger gek op waren. Hoe dan ook; het is vet, dat moet je niet onderschatten wanneer je alleen maar uitgeteerde geraamten om je heen ziet – waarin je ook jezelf herkent.
Als de marteling van de honger helemaal niet meer was uit te houden nam hij die kaars – die hij goed had verborgen in een verfomfaaid koffertje en hij kloof eraan. Maar hem opeten deed hij niet. Hij beschouwde die kaars als zijn laatste redding. Op een keer toen iedereen krankzinnig werd van de honger (en dat zou nu niet zo lang meer duren) zou hij die kaars opeten.
Ik hoop niet dat u het gek of weerzinwekkend vindt. Zijn kameraden vonden het heel gewoon in die tijd. Hij had trouwens een klein stukje van die kaars aan enkelen beloofd. Het werd hun levenstaak, hun voortdurende zorg, erop te letten dat hij de kaars achteraf toch niet helemaal alleen opat. Zij beloerden en bespioneerden hem en zijn koffertje dag en nacht. Misschien bleven zij wel leven, omdat zij zo’n belangrijke taak moesten vervullen.


Op een dag ontdekten ze dat het kerstmis was. Heel toevallig was iemand daarachter gekomen, na langdurige berekeningen aan de hand van kleine streepjes en inkervingen in een balk. Hij vertelde het aan iedereen. ‘volgend jaar kerstmis zijn we thuis’; voegde hij er nogal mat en emotieloos aan toe.
Ze knikten, of reageerden helemaal niet. Dat hadden ze nu al een paar jaar gehoord. Toch waren er nog wel een paar die zich daaraan vastklampten. Je kon immers nooit weten.
Dat was heel vreemd om te zeggen. Het klonk als een zwak, nauwelijks hoorbaar geluid uit een onafzienbare verte, iets volkomen onwerkelijks uit een ver, ver verleden.
Toen zij iemand – misschien zonder enige bedoeling, maar misschien ook wel. ‘met kerstmis branden de kaarsen en luiden de klokken.
Die opmerking ging langs de meesten van hen heen. Het interesseerde ze niet, hij sprak over iets dat geheel buiten hun bestaan viel – maar toch had dat de wonderlijkste en meest onverwachte gevolgen.


Toen het al laat in de avond was geworden, en iedereen daar zo’n beetje op de planken lag, met zijn eigen gedachten, of eigenlijk helemaal zonder gedachten, werd onze vriend onrustig. Hij schoof naar zijn koffertje en haalde de kaars tevoorschijn.
Wij konden het heel goed zien in het donker, die witte kaars. Hij eet hem op dachten zij als hij nu ook maar aan ons denkt. Zij loerden naar hem door hun oogharen. Hij legde de kaars op zijn brits en zij zagen hem naar buiten verdwijnen waar een klein vuurtje smeulde. Hij keerde terug met een brandende spaander. Als een spook dwaalde dat kleine vlammetje door de loods tot het zijn plaats weer bereikte, vlak bij hun. Toen gebeurde er iets vreemds. Hun vriend nam die spaander, dat vuur, en stak zijn kaars aan.
De kaars stond op zijn brits en brandde.
Ze wisten niet hoe iedereen dat zo onmiddellijk ontdekte, maar het duurde niet lang of de ene schaduw na de andere schoof nabij, halfnaakte kerels, waarvan je de ribben kon tellen, met holle kaken en brandende honger-ogen. Zwijgend vormden zij een kring om die brandende kaars.


Één voor één kwamen ze naar voren, die naakte mannen, ook de dominee en de pastoor. Je kon niet zien dat ze dominee of pastoor waren, want ze waren ook maar een stuk uitgemergelde ribbenkast, maar ze wisten het toevallig.
De pastoor zei met een hese stem: het is kerstmis. Het licht schijnt in de duisternis.
En toen zij de dominee: en de duisternis heeft het niet begrepen.
Het is als ik mij niet vergis uit het evangelie volgens Johannes. Je kunt het in de bijbel vinden, maar die nacht, om deze kaars, was het geen geschreven woord van eeuwen geleden. Het was een levende werkelijkheid, een boodschap voor dit uur en voor ons, voor ieder van ons.
Want het licht scheen in duisternis. En de duisternis begreep het niet. Op dat moment beredeneerde zij het niet zo, maar dat was wat ze voelden, zwijgend rond dat kerstlicht, die witte kaars, die spitse vlam.


Daar was iets heel bijzonders mee. De kaars was witter en slanker dan ze daarna ooit hebben gezien. En die vlam – het was een kaarsvlam die tot de hemel reikte waarin ze dingen zagen die niet van deze wereld zijn. Niemand zal ooit in staat zijn om daarover te vertellen – niemand van hen trouwens, die nu nog leeft. Dat was een geheim. Een geheim tussen het kerstkind en hun. Ze wisten toen zeker dat het bestond dat het leefde onder hen en voor ons. Ze zongen in stilte. Ze baden zonder een woord en ook hebben ze gehoord dat de klokken begonnen te luiden en dat een engelenkoor liederen aanhief. Ja, dat weet ik heel zeker en er zijn wel honderd getuigen, waarvan de meesten niet meer kunnen spreken. Ze zijn niet meer hier, maar dat betekent niet dat ze het niet meer zouden weten.
Daarginds, diep in de moerassen en de jungle zongen ijle engelachtige stemmen kerstliederen voor hen en galmde het brons van duizend klokken.


Waar dat alles vandaan kwam, dat blijft ook een geheim. De kaars brandde hoger en hoger, spitser en spitser, tot aan het uiterste nok van die hoge donkere loods en toen daardoorheen, tot aan de sterren, en alles werd wit van het licht. Zoveel licht heeft later nooit meer iemand gezien. Ze voelden zich vrij en opgeheven, en kenden geen honger meer. Die kaars had niet alleen hun vriend gevoed, die kaars had hun allemaal gevoed en sterker gemaakt.
Er kwam geen einde aan het licht. En toen iemand zacht zei: volgend jaar kerstmis thuis” geloofden ze dat deze keer onvoorwaardelijk. Want het licht had hun zelf die boodschap meegedeeld, het stond in vurige letters in die kerstvlam geschreven.
De hele nacht heeft de kaars gebrand. Er is geen kaars ter wereld die zo lang en zo hoog kan branden. Toen het ochtend was waren er een paar die zongen. Dat was in geen jaren gebeurd. Die kaars heeft velen van hen het leven gered, want toen wisten ze dat het nog de moeite waard was om verder te gaan, dat er ergens aan het eind op ieder van ons een thuis wacht.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.

IK HEB VOOR MIJN ACHTERKLEINZOON DIT SPROOKJE GESCHREVEN.
Hij is nu 6 jaar en begrijpt via sprookjes bijna alles.

Waarom? Hoe leg ik een mannetje van 6 jaar uit wat er vroeger is gebeurd in het land waar Oma is geboren. Later als hij wat groter is geworden dan komt de rest wel.

Zoals u weet begint dat altijd met de vaste uitdrukking, gelijk aan dat van een sprookje; ER WAS EENS...…….

 

Er was eens heel ver weg een land vol met bruine muizen. Ook woonden er al heel lang een veel kleinere groep met witte muizen. Zoals in elk land ging men - met ups en downs - redelijk goed met elkaar om en daardoor was het een land waar het goed wonen was.
Vooral de hele kleine muisjes konden onbekommerd hun gang gaan mede omdat zij zich goed beschermd voelden door de grote muizen.

Oh ja, bij die grote muizen, zowel de bruine als de witte, was wel eens wat ruzie maar dat ontging de kleine muizen en zij konden normaal hun leventje leiden.
Er waren daar veel minder witte als bruine muizen, maar de witte muizen waren meestal de baas over all andere muizen.
Vaak kon je dat heel goed zien omdat de witte meestal een wat mooier holletje hadden en ook omdat zij dat holletje en de omgeving niet zelf hoefden te onderhouden. Nee, dat deden de hele bruine muizen voor ze. Die hele bruine kregen daarvoor wat extra muizenkorrels en daar leken ze tevreden mee.

Dat ging eigenlijk altijd goed totdat........in andere muizenlanden iedereen ruzie met elkaar kreeg en elkaar het leven onmogelijk gingen maken. Dat was het moment dat alle muizenstammen elkaar gingen bestrijden. Er was opeens geen plekje meer te vinden waar geen ruzie was en sommige muizenlanden maakten afspraken met elkaar om samen weer te vechten in andere muizenlanden.
Voor al de jonge muizen in al die landen werd het ineens onveilig, maar bovendien konden al die kleintjes er niets van begrijpen. Maar oké, in hun eigen land was het niet zo, dus maakten zij zich ook niet zo druk alhoewel zij wel steeds hoorden dat dit ook bij hun kon gebeuren ook al kenden zij toch niemand die zo slecht zou zijn om hun landje en hun leventje te verpesten en al hun muizenholletjes stuk te maken.

Maar dan, plotseling waren er ineens heel veel gele muizen op de velden. Zij waren met zoveel dingen gekomen en gingen echt de baas spelen over al die witte en bruine muizen. Al die witte muizen werden in heel aparte holen gestopt waar ze niet meer uit konden komen en al die bruine muizen mochten wel in hun eigen holletjes wonen maar moesten precies doen wat die gele muizen vertelden.
Nou dat ging niet altijd even goed. Die gele muizen pakten alle muizenkorrels in om zelf op te eten en de witte en gele mochten alleen maar toekijken. Als ze zelf wat korrels wilden terugpakken dan liep het slecht met ze af.

Gelukkig ging die tijd over. Het zag er naar uit dat alle muizen weer naar hun eigen landje terug zouden gaan en geen ruzie meer met elkaar gingen maken.
Maar Oh oh, wat een vergissing. De witte en de bruine muizen in dat ene verre land gingen gewoon door met ruzie maken.
De witte wilden weer, zoals vroeger, de baas zijn maar de bruine wilden dat niet meer en wilden ook de baas zijn en niet meer langer de dingen doen zoals de witten dat wilden.

En ja hoor, zij gingen daar zelfs over vechten. En ieder ander muizenland ging zich daar ook mee bemoeien.
Dus zoals altijd kregen de witte muizen extra veel problemen en moesten uiteindelijk met al hun jonge muizen weg uit wat toen alleen een bruine muizenland wer

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.

DEZE TWEE VROUWEN BEWONDER IK ZEER.

De een is al meer dan 54 jaar mijn vrouw en de ander is onze Koningin.
Waarom ik ze bewonder, respecteer en dapper vind?

Van beiden is de eerste letter van hun voornaam een M.
Mary en Maxima.
Nou ligt het voor de hand dat ik Mary vele kwaliteiten toedicht, zij is immers mijn andere helft. Wij zelf geven altijd aan dat wij samen “twee van één“ zijn.
Dat heb ik niet bij mijn gevoelens voor Maxima, dat recht is voorbehouden aan haar echtgenoot Willem Alexander.
Maar er zijn overeenkomsten tussen Mary en Maxima.....

Toen Maxima zich ging verloven met onze toenmalige Kroonprins ontstond er in Nederland een rumoer van jewelste.
Haar vader werd als een “foute man“ bestempeld omdat hij deel had uitgemaakt van een regering van verdacht allooi.
Grote groepen in Nederland vonden daardoor dat zij niet kon trouwen met de aanstaande Koning der Nederlanden.

Maar dat veranderde al snel toen men deze prachtige vrouw via de media beter leerde kennen. Toen zij in diezelfde periode ook noch afstand nam van het arbeidzame leven van haar vader verstomde ieder commentaar op haar al snel.
Zij was ineens geen foute allochtoon meer maar werd steeds geliefder bij de Nederlanders.

Wat Maxima gemeen had met mjn vrouw Mary was dat ook Mary een biologisch kind was van een “foute vader“. Oh ja, zij zijn niet uit dezelfde generatie, maar ook de verwekker van Mary werd jaren verzwegen voor haar en daarnaast heeft zij hem nooit gekend.
Ik heb daar al wat vaker over verteld. Voor alles en iedereen was hij een “zeer foute Jap“ die tijdens de oorlog haar moeder had gedwongen in de rol van zijn maitresse.Je kan ook zeggen dat zij een zeer privaat comfortmeisje, zij was toen 18 jaar, moest zijn van deze hooggeplaatste Japanse functionaris van dat gehate Japanse regime dat Nederlands Indie bezet hield.

Net als Maxima heeft Mary jaren lang moeten worstelen en dealen met een “foute vader“.
Voor beiden goldt dat zij in hun leven hebben moeten dealen met de vooroordelen die er ten aanzien van hun zelf was ontstaan.
Zij beiden hadden geen inspraak in het verwekt en geboren worden en beiden hadden geen weet van wat hun vaders allemaal uitspookte.

Gelukkig is er nu na een aantal jaren een kentering gekomen in het denken over deze situaties. Maar het is goed te merken dat men nu beseft dat je kinderen niet aansprakelijk kan stellen voor de daden van hun verwekkers..............

IN ALLE GEVALLEN VERDIENEN ZIJ GEWOON RESPECT.
HET ZIJN STERKE VROUWEN DIE DEZE LAST VAN HUN GEBOORTE HEBBEN KUNNEN OVERWINNEN ZONDER ZICHZELF TE VERLIEZEN.

MARY EN MAXIMA IK HOU VAN JULLIE EN BEWONDER JULLIE.
JULLIE ZIJN GEWOON “KANJERS

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.

BIJ HET ZIEN VAN DE BIJGAANDE FOTO WORDT HET IN MIJN HOOFD “RUWET“.
Dat Ruwet betekent eigenlijk “gecompliceerd “

Deze foto is in 2016 gemaakt en daar bewijst Mark Rutte op zijn manier respect aan de overleden militaire slachtoffers die in en na de tweede wereldoorlog en de Bersiap zijn gesneuveld in het voormalig Nederlands Indie.
Dit is op één van de erevelden in Indonesie die geweldig verzorgd en onderhouden worden door de Nederlandse Oorlogsgraven Stichting.

Toen ik dit beeld zag werd ik “binung “ oftewel “in de war“.
Nee, niet Indowar.

Eerst vond ik dit een mooi gebaar. De Minister President van ons land die eer bewijst, maar tegelijkertijd bekroop mij een gevoel van boosheid. Oh ja, dat is voorzichtig uitgedrukt.

Waarom? Respect en eerbied tonen aan de overlevenden zonder daarbij te beseffen dat er nog vele levenden en zelfs nabestaanden zijn die destijds hun geboortegrond moesten verlaten met achterlating van hun doden. Dat er nog velen hier in Nederland leven die destijds al hun bezittingen moesten achterlaten en berooid in de Patria arriveerden.
Allen min of meer in de steek gelaten door de Nederlandse Overheid die haar landgenoten overzee niet echt wilden hebben binnen hun landsgrenzen. Talloze medelanders die met armzalige regelingen en leningen in de schulden werden gedrukt, mede omdat zij alles, maar dan ook alles moesten terugbetalen. Zij moesten met niets “iets “ opbouwen om een nieuw bestaan te vinden.

Dit alles schoot mij in het hoofd toen ik deze bijgeplaatste foto zag. In een fractie van een seconde veranderde mijn gevoel van respect in walging bij dit plaatje.

Hij en zijn politieke trawanten weten het nog steeds te presteren om echt te luisteren naar wat men in het kader van de Indische Kwestie te vertellen heeft. Natuurlijk zijn er gelukkig ook een enkel lid van de Tweede Kamer die zeer sympathiek staan tegenover de gerechtvaardige verlangens van de nog steeds grote groep van 1e en 2e generatie die noodgedwongen, als ware het een vlucht, moesten vertrekken uit land waar hun navelstreng ligt begraven evenals de vele doden die zij moesten achterlaten.

Hoewel er enige beweging lijkt te zitten in - in ieder geval - het aanhoren van het verhaal en de vragen die bij de Indische Kwestie horen, is het moeilijk te geloven dat dit van de zijde van het Kabinet serieus wordt opgepakt.
Wij weten inmiddels maar al te goed dat de kreet “daar hebben wij geen geld voor“ of dit heeft geen prioriteit, snel over hun lippen komt.

Zo, dit kwam allemaal zo snel mijn gedachten binnen en daarom moest ik dit schrijven.
Aan het eind van dit verhaal kan ik alleen maar als afsluiting zeggen dat ik die foto dus “walgelijk hypocriet“ vind.

Reactie plaatsen

Reacties

Q. Jasper-Couzijn
3 dagen geleden

Beste mijnheer Han, u staat niet alleen in deze gedachtegang. Liever daden dan gebaren. Dat verdienen al diegenen die op welke wijze benadeeld zijn door de Staat. Recht zal zegevieren. Ook voor de Staat der Nederlanden geldt 'Karma is a bitch'.

ETEN MET JE HAND IS GEZOND...…..

 
Makan pakai tangan, eten met je hand, is iets dat heel gewoon is in Indonesië. Het eten met je hand, of eigenlijk met je vingers, vergt in het begin wel de nodige oefening. Maar als je het eenmaal onder de knie hebt, heb je je bestek dan ook niet meer nodig. Behalve dan bij het eten van soep en andere waterige gerechten. Vijf voordelen van het eten met je hand:

1. Tong verbranden verleden tijd
Wanneer je met je hand eet, komt het eten, voordat je het in je mond brengt, allereerst in contact met je vingers. De zenuwenuiteinden in je vingers ‘voelen’ als het ware de temperatuur en de textuur van het voedsel voordat het in je mond belandt. De hersenen worden op die manier voorbereid op wat jij straks te eten krijgt. Ze krijgen dus een seintje dat er voedsel in aantocht is en geven dat door aan de rest van je lichaam. De juiste spijsverteringssappen en enzymen komen vrij.

Verder zul je, wanneer je met je hand eet, nooit je tong verbranden. Je vingers voelen immers of het eten te heet is of niet. Wanneer je met een lepel of vork eet, gaat het eten rechtstreeks van het bord naar je mond. Je weet dus niet of het eten de juiste temperatuur heeft om veilig gegeten te worden.
 

2. Bescherming tegen schadelijke bacteriën
Het menselijk lichaam heeft lichaamseigen bacteriën die het lichaam beschermt tegen schadelijke bacteriën van buitenaf. Deze ‘goede’ bacteriën leven ook in de huid op je handen. Wanneer je met je hand eet, kunnen deze goede bacteriën je beschermen tegen schadelijke bacteriën van buitenaf. Wel is het natuurlijk belangrijk om voor én na het eten goed je handen te wassen.
 
3. Schoon
Het bestek in een eetgelegenheid mag er misschien wel schoon uitzien, je weet nooit hoe de lepels en vorken zijn schoongemaakt. Wanneer je voor het eten je handen wast, weet je precies hoe schoon je handen zijn. Jij bent tenslotte zelf degene geweest die je handen onder de kraan met water en zeep heeft gewassen. 


4. Praktisch
Het bestek in de eetgelegenheid waar je je bevindt, ziet er vies verouderd uit? Geen nood, nu je met je hand kan eten, kan niets je meer tegenhouden om van die heerlijke nasi rames te genieten. Nog nooit met de hand gegeten? Indonesiënu legt je uit hoe dat moet: Maak met je vingers, met een soort knedende beweging, een bolletje van de rijst en de overige gerechten. Dat bolletje rijst breng je met je hand naar je mond.

 

Niet vergeten: Eten doe je alleen met je rechterhand. De linkerhand gebruiken Indonesiërs om hun achterwerk mee af te spoelen.
 
5. Je geniet meer van het eten
Wanneer je met je hand eet, schenk je meer aandacht aan datgene wat je eet, dan wanneer je met bestek eet. Je neemt het voedsel tussen je vingers en voelt de structuur. Op die manier ben je je meer bewust van wat je eet en de hoeveelheid. Ook smaakt het eten volgens Indonesiërs vele malen lekkerder.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.

TERUG IN NEDERLAND, WENNEN, INTEGREREN OF ASSIMILEREN..........OF GEWOON ALLES SLIKKEN....
Toen wij na een vijfjarig verblijf op Curaçao met ons gezin in 1975 naar Nederland gingen was dat voor ons best een zwaar afscheid. Wij konden toen nog niet weten dat wij later nogmaals twee termen daar mochten zijn.
Op de dag van aankomst op Schiphol heerste er een heuse hittegolf in Nederland waardoor de overgang qua temperatuur best mee viel. Omdat wij nog geen woning hadden werd er tijdelijk ingetrokken bij mijn ouders in Amsterdam. Oh zeker, dat was voor iedereen best inschikken want die twee lieve mensen kregen ineens een gezinnetje van 5 personen in huis. Heel erg wennen.
Maar ook wij, en vooral de kinderen moesten heel erg wennen en vooral aanpassen aan de Hollandse manieren van doen. Kort na binnenkomst bij mijn ouders vroegen de jongens of ze naar buiten mochten. Zeker dat mocht. Onmiddellijk trokken de jongens hun schoenen en sokken uit en renden naar de buitendeur. Hé hé, wat gaan jullie doen. Het antwoord was precies wat je kon verwachten; “naar buiten”. Nou dat ging even niet door met hun blote voeten, eerst moest hun aan het verstand worden gebracht dat hier schoenen en sokken worden gedragen.
Nou, dat vonden ze maar stomNadat ze een uurtje buiten waren geweest moesten ze onder de douche. Ze waren nog klein dus met z'n drieën de badkamer in om onder het gemalen water te gaan staan. Plots klonk er een harde schreeuw van alle drie. Onmiddellijk ging ik kijken en toen werden de hilarische kreten geslaakt van “Papa, de douche staat in brand”. Geen haar op ons hoofd had er aan gedacht dat in Nederland in de badkamer 2 kranen waren, een voor warm water en de ander voor koud en dat door de temperatuur er stoom van het water afkomt. In hun oogjes van toen was dat rook en waar rook is moet er brand zijn. Natuurlijk hebben wij smakelijk gelachen.
Een paar dagen na onze terugkeer in Nederland na een verblijf van 5 jaar op Curacao hadden wij een redelijke tweedehands autootje gekocht en gingen met ons kroost een stukje rijden door de Kop van Noord Holland. Twee van de drie kids hadden al wat aardrijkskunde op school gehad en kenden wel wat namen van Nederlandse steden. Al rijdend riep ik steeds de plaatsnamen voor van de verkeersborden en dacht dat ze daarmee een beeld kregen van dingen die ze op school op Curaçao hadden geleerd. Nou zo werkte dat niet want op een gegeven ogenblik slaakte de oudste van zoon de kreet; “wanneer komen we nou bij Holland”. Foutje bedankt.
Wat wel hinderlijk was dat ze in die tijd op straat regelmatig vast werden gehouden door andere kinderen die dan opdracht gaven “om negers te praten”. Onze kinderen hadden in de loop der tijd de Curaçaose spraak met de specifieke W zich automatisch eigen gemaakt en spraken Nederlands met het overzeese accent. Soms leidde dit soort dingen tot vervelende situaties, maar uiteindelijk ging dat ook over. Zeker na een stevig gesprek op die school met de schoolleiding.
Toen wij een woning kregen toegewezen en na een paar dagen de container met onze goederen uit Curacao arriveerde stond met super grote letters aan de buitenkant vermeld; CURACAO, NED.ANTILLEN.
Nou waren wij voor die tijd al lekker gekleurd, maar na 5 jaar in de tropen was dat nog even wat dieper bruin geworden. Onmiddellijk hoorden wij van onze buren dat allerlei mensen uit die straat bij hun kwamen vragen of zij het niet erg vonden dat negers naast hun kwamen wonen. Let wel, dat was in 1975 en wij waren de enige diep bruine gekleurde mensen die daar kwamen wonen.
Nadat men ons wat beter had leren kennen ging ook dat wel over, maar er waren van die momenten waarop wij er over dachten om daar maar weer snel weg te gaan.
Toen zij pas de nieuwe school bezochten in onze nieuwe woonplaats maakten zij kennis met het fenomeen “sneeuw”. Totaal verbaasd mochten zij van de leraren buiten kijken en de sneeuw voelen. Het was voor hun iets heel bijzonders.
Ik zal nog een ding benoemen. De oudste zoon kreeg op school les in spreekwoorden. Toen hij daarna thuis kwam was hij wat verstoord, een beetje boos. Toen wij naar de oorzaak daarvan vroegen bleek dat hij een aloud spreekwoord had geleerd; “Wie een kuil graaft voor een ander”. Nou had hij gelijk tegen zijn meester gezegd dat hij dat stom vond want voor een kuil graven had je een chappi (patjol) nodig om door die karang heen te komen. De grond op Curacao was erg hard en moest vaak eerst losgehakt worden. Vandaar het misverstand over een kuil graven.. Lachen toch. Ook een spreekwoord als; “hoe een koe een haas vangt” ging er niet zo goed bij ze in.
Ach het zijn ALLEMAAL herinneringen en daar moeten wij het mee doen.

PA VAN DER STEUR.................EEN LEVEN IN DIENST VAN DE KINDEREN.......
DE TROTS VAN DE VELE OUD-STEURTJES............
ZIJN WERK GAAT GEWOON DOOR.

Johannes van der Steur vertrok op 10 september 1892, 27 jaar oud met de oude stomer “Conrad”, naar Oost-Indië – precies 8 dagen nadat hij als zendeling was ingewijd in het kerkje aan de Parklaan in Haarlem. Hij ging op weg naar de kolonialen, omdat hij wist dat die niet genoeg hadden aan brieven alleen (aangezien die er maanden over deden), maar dat ze daar in de Oost een vriend nodig hadden.
Zijn eerste werk was de inrichting van een eenvoudig militair tehuis in Magelang, een ongekende luxe. Hier lagen 5 bataljons militairen, een kaderschool en het depot-bataljon van 4 compagnieën. Hij deed dit helemaal alleen en zonder enige sociale zekerheid of geld. Het was een eenvoudig bamboehuis, maar de militairen kwamen er graag.
In 1893 – Johannes was toen 28 jaar oud – kwam er een dronken koloniaal bij hem in het tehuis en vertelde hem dat een sergeant gestorven was en een inlandse vrouw met vier kinderen achterliet. Als hij zo “verdomd” vroom was, dan moest hij dat maar eens tonen. Waarop het antwoord van Johannes was: “Wordt nuchter en breng me er heen.”
De vrouw en haar kinderen werden de dag erop in het bamboehuis opgenomen. Het kreeg een sneeuwbaleffect: binnen twee maanden waren er 14 van zulke verweesde kinderen. Daarnaast vonden de soldaten het leuk en hielpen zij met wassen en dergelijke zaken. Een van de kinderen vroeg hoe ze hun pleegvader moesten noemen. “Dat moeten jullie zelf maar uitmaken.”, vond Johannes en de jongen antwoordde: “Dan noemen we u Pa, want dan hebben we lekker weer een papa.” En zo werd hij Pa van der Steur, tot op heden, nog jaren na zijn dooVoor Pa’s kinderen moet het een wonder geweest zijn: een blanke meneer, die niet verwaand voorbij reed in een koets en die niet als dronken soldaat een voorwerp was van minachting. Maar een blanke meneer die een echte vader was met wie ze samen aan tafel zaten, met wie ze konden praten in hun eigen ‘kromme’ taaltje, die hun kleren en schoenen gaf en hen lezen en schrijven leerde. Zij waren geen kamponggladakkers meer, zij hadden echt een echte Pa. Dit is dan ook de reden dat vele Steurtjes hun leven lang dankbaar blijven; door Pa kregen zij immers de kans MENS te worden.
In 1903 had Pa ondertussen al 350 kinderen onder zijn hoede. Hij werd echter ziek en moest met spoedverlof naar Nederland. Het was zijn enige verlof in 55 tropenjaren. Zijn gehele verloftijd gebruikte hij om belangstelling te wekken voor zijn kinderen en probeerde hij het geld op te halen dat hij zo dringend behoefde. Koningin-moeder Emma, bekend om haar sociale mededogen, stond Pa een gesprek van anderhalf uur toe. Opgeknapt ging hij er op uit. Van haar en van andere vooraanstaande personen kreeg hij geld: wel 20.000 gulden! Voordat zijn ziekteverlof om was ging Pa al terug naar Java. Hij kon toen voor een matige prijs een oude kazerne voor politiesoldaten kopen, waarbij een groot terrein hoorde. Hij noemde zijn tehuis het “Oranje-Nassau Gesticht”.
In 1907 trad Pa met Anna Maria Zwager in het huwelijk. Hij trouwde met de handschoen. Misschien was zijn huwelijksaanzoek het wonderbaarlijkste dat onze geschiedenis kent: “Anna, wil je de moeder worden van mijn kinderen?”. Zo deed Moe van der Steur haar intrede in het tehuis. Zij had de leiding over de meisjesafdeling, die natuurlijk beter aan een vrouw kon worden toevertrouwd. Tot aan haar dood op 30 april 1936, is zij door haar liefdevolle en onbaatzuchtige arbeid, voor velen, ook voor Pa zelf, een grote zegen geweest.
Zijn gehele leven zette Pa van der Steur zich in voor de opvoeding van zijn kinderen – in totaal meer dan 7000 verlaten en verweesde kinderen opgevoed tot nuttige leden in de maatschappij. Zijn invloed op de kinderen, die hij gevoed en opgevoed had als zijn eigen vlees en bloed, was heel groot. Voor hen was, en blijft hij, “Pa” – hun vader. Voor deze duizenden kinderen betekende zijn werk een ommekeer in hun leven.

Op 15 Februari 1944 werd Pa door de Japanners geïnterneerd. Zelfs gedurende zijn interneringsjaren was Pa een zegen voor zovelen. Hij overleefde het Jappenkamp en werd daarna uit de capitulatie door Steurtjes meegenomen naar het tehuis in Magelang. Daar stierf hij, op 16 september 1945, op 80-jarige leeftijd tussen zijn pupillen.
“Zetten jullie het werk door als ik er niet meer ben? God zal jullie steeds helpen. Niet mijn naam en persoon, maar jullie moeten aan mijn werk blijven denken”, waren zijn laatste woorden.
In de woelige periode die daarna in Indonesië aanbrak, besloten de oud-Steurtjes die de leiding hadden overgenomen, het weeshuis te verplaatsen van Magelang naar Batavia (nu Jakarta), omdat het daar veiliger was. In de eerste jaren van de Indonesische onafhankelijkheid voerde het tehuis een kwijnend bestaan. De naam werd veranderd in “Yayasan Pa van der Steur”. In maart 1957 nam Bram Bernard (zelf een oud Steurtje) de leiding van de Yayasan (betekenis: stichting) over. Met de wens van Pa in zijn achterhoofd: “gedenk niet mijn naam maar mijn werk”, heeft Bram – samen met zijn vrouw Tine (ook een pupil van het weeshuis) – vaak onder zware druk en onder zeer moeilijke omstandigheden het werk voortgezet.
In 1970 kwam het plan om het werk van Pa uit te breiden. In 1973 werd het ‘denken’ omgezet in daden door het aankopen van een stuk grond van 2 hectare in Pondok Gede (nu Pondok Melati), ongeveer 15 km ten oosten van Jakarta. In de daarop volgende jaren gingen zij stap voor stap verder om het bouwprogramma te realiseren. Achtereenvolgens kwamen het Jongenstehuis, de keuken, het Meisjestehuis en de scholen tot stand.
Het werk van Pa van der Steur is niet geëindigd bij zijn heengaan. Het werk is als een phoenix uit zijn as herrezen… Johannes van der Steur is heengegaan, maar zijn werk –  opgebouwd uit liefde tot de naasten – leeft voort

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.

GOENA GOENA!! BESTAAT DAT OF NIET?
LEES DIT MAAR EN OORDEEL ZELF.
Guna Guna, ook wel geschreven als Goena Goena, staat bij Indische families bekend als Zwarte Magie of de zogenaamde Stille Kracht.
Het is de toverkunst uit Indonesie en de Molukken. Je mag hiermee niet spotten. Indische mensen geloven dan ook dat het iets is waar je beter niet mee te maken kunt hebben, laat staan er over praten.
Als Indische mensen zeggen dat iemand "gemaakt" is bedoelen ze dat die persoon onder invloed van Guna Guna is en zo'n bezwering is uiterst moeilijk op te heffen. Eenmaal bezeten wordt het slachtoffer getroffen door rampen en tegenspoed of geteisterd door demonen. De Indische en Molukse mensen weten dat alleen heel veel bidden de enige oplossing is tegen deze bezweringen.
De kunst van de Guna Guna rituelen zijn in bezit van bepaalde families en worden van generatie op generatie doorgegeven. De geheimen blijven dus is de familie en dat maakt dat deze families berucht zijn in de Indische en Molukse samenleving. De bezweringen van Guna Guna zijn vaak enorm sterk en eenmaal getroffen door de bezwering is het slachtoffer overgeleverd aan de sterke negatieve krachten.
De verschijnselen zijn heel divers maar men wordt meestal zonder enige reden ernstig ziek of sterf zonder dat artsen een oorzaak kunnen vinden. Ook kan iemand zich vreemd gaan gedragen of pleegt zelfmoord.
De redenen om Guna Guna te gebruiken is meestal haat, jaloezie, ruzies, wraak of afwijzingen in de liefde. Niet alleen kunnen mensen drager worden van die negatieve krachten, maar ook voorwerpen kunnen worden bewerkt zodat zij de eigenaar daarvan veel ellende kunnen brengen. Bekende voorbeelden zijn o.a. wajangpoppen, de kris (een soort dolk), kleden of kleine afgodbeeldjes afkomstig uit Indonesie.
Niet al deze voorwerpen bevatten kwade krachten, maar als buitenstaander is dat niet te zien. Naast de zwarte kant van Guna Guna bestaat er ook de Witte Guna Guna waarbij men positieve dingen doet met deze vorm van magie.
Het beoefenen van de zwarte magie is niet zonder gevaar, de beoefenaars kunnen ook zelf getroffen worden door hun daden. Experimenteren daarmee is dus zeker niet zonder gevaren.
Mijn schoonvader Anton was tijdens de wereldoorlog ingewijd in deze vorm van magie. Hij beschikte ook over een aantal cahiers met daarin waarschijnlijk zijn aantekeningen daarover.
Nadat hij – hij woonde toen in het verzorgingshuis Rumah Kita – een zware hartaanval kreeg voorvoelde hij dat het einde van zijn leven naderde.
Op een middag toen Mary en ik bij hem waren gaf hij Mary een pakketje met die cahiers en blaadjes. Zij waren zorgvuldig bijeen gebonden met een touwtje. “Hier Mary, deze papieren moet je voor mij in de zee gooien. Je mag ze niet openen en inzien. Zij moeten voorgoed verdwijnen.
Wij namen deze papieren mee naar huis, legden thuis ze op boekenplank om ze wat later vanaf de veerboot tussen Den Helder en Texel in zee te gooien. Enkele dagen later stonden wij vroeg op om die taak te gaan vervullen. Maar........toen wij die papieren wilden pakken van de boekenplank waren ze weg. Zij waren niet te vinden en een uitgebreide zoektocht door het hele huis was tevergeefs. Na zeker 3 uur zoeken lieten wij het idee varen om ze op die dag in zee te gooien.
Nadat deze beslissing was gevallen gingen wij maar even een paar boodschappen doen. Toen wij terugkeerden in onze woning keek ik automatisch naar de plek waar wij eerder Pappie's papieren hadden neergelegd. Tot mijn grote verbazing lagen ze daar open en bloot.
Zoiets vreemds hadden wij niet eerder meegemaakt.
Wij hebben geprobeerd een verklaring hiervoor te vinden, Maar wij kwamen niet verder als dat wij ze te vroeg moesten laten verdwijnen en dat dit pas mocht als Pappie daadwerkelijk was overleden. Uiteindelijk hebben wij samen met onze oudste kleinzoon zijn wil pas na zijn dood uitgevoerd. En alles was goed.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.

EEN BIJZONDERE GROEP, DE TOEGOENEZEN......
Ongetwijfeld weten velen "heel veel" te vertellen over Nederlands Indie en Nieuw Guinea. Maar als de term "Toegoenezen" valt dan wordt vaak het stilzwijgen bewaard.
Oke, niet iedereen is in staat alles te weten en daarom zijn er allerlei figuren die daar wel enige kennis over hebben en die maar al te bereid zijn om dat met jullie te delen.
In dit geval doe ik een poging hiertoe. Het is niet uitputtend maar ik denk wel voldoende om te weten wat dit voor een groep/volk in Nieuw Guinea en op Java zijn.
De benaming Toegoenezen slaat op de bewoners van de Toegoe-wijk in Jakarta op Java in Indonesië. In vroegere tijden was de kampong Toegoe in feite een dorpje net buiten de stad Batavia.
Het Nederlandse handelsbedrijf, de Vereenigde Oostindische Compagnie, veroverde op Java in de 17e eeuw steeds meer gebieden en handelsposten op de eerst aanwezige Europeanen de Portugezen. Tot het protestantisme overgegane katholieke voormalige slaven van gemengde afkomst konden zich in Batavia vestigen en kwamen onder andere in Toegoe terecht. Het dorpje lag gedurende de natte tijd van het jaar geïsoleerd in een moerassig gebied en kon mede daardoor een eigen cultuur ontwikkelen. Een belangrijk aspect hiervan was de krontjongmuziek, met Portugese invloeden, die er ontstond.
Toen de Tweede Wereldoorlog was afgelopen en Indonesië na de vrijheidsoorlog in 1949 zelfstandig werd, verhuisden vele Toegoenezen naar Nieuw-Guinea, dat nog onder het Koninkrijk der Nederlanden viel. De Indonesiërs beschouwden hen als bruine Hollanders en ze vreesden daarom discriminatie en en vervolging.
In 1962 en 1963 woonden in het kamp Toegoenezen. Zij kwamen uit Nederlands-Nieuw-Guinea, dat onder druk van de internationale gemeenschap in 1962 aan Indonesië overgedragen werd, en hadden Suriname als eindbestemming.
Deze Tugu-gemeenschap van Nederlandsgezinde christenen, die in 1949 al eens uit Indonesië had moeten vluchten, moest nu ook Nieuw-Guinea verlaten. De Nederlandse overheid, die nog onderhandelde met de Surinaamse overheid over het opnemen van de gemeenschap, besloot de Toegoenezen tijdelijk in De Pieterberg te huisvesten.
Project Slootwijk
In 1963 startte Project Slootwijk: de Toegoenezen verhuisden naar Suriname. Het project was echter geen succes, en bijna alle Toegoenezen waren in 1967 weer terug in Nederland. Nadien zijn de meesten van hen ook in Nederland gebleven.
Gedurende ongeveer twaalf jaar leidden de gevluchte Toegoenezen een separaat bestaan in Hollandia (het tegenwoordige Jayapura) op Nieuw-Guinea. Toen in 1962 ook dit deel van Nieuw-Guinea (Irian Jaya) aan Indonesië werd overgedragen, besloot het overgrote deel van de Toegoenezen trouw aan Nederland te blijven.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.

HET VERBORGEN LEED BESTAAT NOG STEEDS.......
EN IK BLIJF HET HARDOP ROEPEN.
Menigeen kan zich dit nog herinneren of heeft het aan den lijve meegemaakt.
Er zijn veel Indische gezinnen na de tweede wereldoorlog vertrokken naar de een of andere bestemming in de wereld.
De meesten zijn in Nederland aangekomen, een deel is naar Nieuw Guinea vertrokken, Australië, Amerika en sommigen zelfs naar Zuid-Afrika.
De repatriëring heeft vele gezinnen uit hun natuurlijke omgeving gehaald, ik bedoel met natuurlijke omgeving, het geboorteland.
Vele gewoontes die men van jongs af aan had leren kennen moesten in de nieuwe vreemde landen, het eerst veranderd worden.
Je moest je aanpassen, assimileren, en dat ging tegen de vastgeroeste levensgewoontes in van vooral de oudere Indische en Nederlandse mensen uit de tropen.
Aanpassen moest je, anders kon je niet overleven, want jouw oude “ik”, moest ineens een nieuwe “ik” worden met gevolg dat het vooral bij de oudere indo’s nogal wat invloeden had.
Als je jong bent, ben je iets flexibeler, hoewel het toch frustraties binnen in jezelf oproept als je op een ongecontroleerd moment jezelf was en je door je Hollandse omgeving op harde wijze werd gecorrigeerd.
Men vond je dan eigenaardig en lieten dat dan ook blijken, ja soms met een afwijzende houding. Dus je lette er in het vervolg wel op, om niet al te zeer als vreemdeling gekenmerkt te worden.
Je voelde je toch Nederlands? Je sprak de taal en kende het land en zijn cultuur op het duimpje.
Piece of cake dat aanpassen.
Maar je had een raar accent, rook vaak naar knoflook en andere kruiden, en sommige Nederlandse uitdrukkingen kende je niet
Maar is dat wel zo raar? Hebben zij zich niet totaal moeten geven om “echt” aangepast te raken?
Hadden zij daarbij niet iets wat tegenstribbelde in hun binnenste, dat protesteerde iedere keer als het gevoel naar boven komt, dat je jezelf aan het verloochenen was?
De oudere generatie had geen tijd om te treuren over het verlies van familie, land, beroep en belevenissen uit de oorlog. Velen moesten zich gelijk weer op het heden van toen storten omdat de situatie zo verschillend was dan die 5 of 10 jaar eerder voor de oorlog.
Men kon de trauma’s opgelopen in de kampen, interneringsgebieden, vernederingen en angsten niet verwerken omdat de tijd het hun niet gunde.
Van het ene ogenblik op het andere werd men geconfronteerd met de wrede naweeën van een onafhankelijkheidsoorlog. Nog maar niet te spreken over de Jappentijd en de ontberingen in diverse interneringskampen. Maar ook zij die de “buitenkampers” worden genoemd waren net zo goed slachtoffers van hun situatie.
Er zijn heden ten dage nog vele ouderen die de terugslag moeten verwerken. Waar eerst trauma’s konden worden beheerst door erover te zwijgen en ze niet te tonen aan de buitenwereld, deels uit onmacht en bang voor de eigen emoties die men dan moest tonen en daardoor zichtbaar werden, en deels omdat je er met niemand over kon praten, was de kracht eruit en kost het meer moeite.
Je had geleerd om niet te zeuren, je was opgevoed met een harde discipline die openlijke emoties niet toestaat, ook uit persoonlijk veiligheidsgevoel.
Daarnaast moest je leven met het gegeven dat je moest zwijgen, omdat de mensen die de oorlog in Nederland hadden meegemaakt het ook zwaar hebben gehad.
De enkeling die zijn of haar verhaal uit Indië wilde doen werd al gauw het zwijgen opgelegd met als argument dat de Duitsers heel erg waren geweest en dat de mensen in Indië nog geluk hadden omdat het fruit en zo gewoon aan de bomen groeiden.
De beleving van de trauma’s uiten zich door ongecontroleerde uitbarstingen die vaak op de kinderen werden afgereageerd. Het gevolg was mishandelingen, verslechterde verbintenis-gevoelens, ook vaak waren de ouders emotioneel zo ver gesloten dat je niet kunt spreken van warmte en genegenheid. Dat konden veel ouderen niet meer opbrengen.
Het is helaas zo dat er vele ouderen deze trauma’s in hun graf hebben meegenomen en dat deze hun levensvreugde zeer hebben beperkt.
Was het maar zo dat ze hulp hadden gezocht. Hadden zij maar de hulp gehad die men heden ten dage kan bieden in diverse opvangcentra, gespecialiseerd in trauma-verwerking.
Nu zijn er speciale instellingen waar men behandeld kan worden. Ik noem hierbij de stichting 45 in Oegstgeest en de Sinai-centra in Amersfoort en Amstelveen. (waar ook mijn echtgenote bijna 3 jaar is behandeld)
Maar als je denkt dat vele lotgenoten die weg zoeken dan heb je het mis. De Indische man of vrouw is te bang en te gesloten om hulp te vragen, men ervaart hulp als zwakte en als je naar een psycholoog gaat ben je getikt.
Het is de verkeerde opvatting, helaas, want hulp kan de levensvreugde bevorderen. Je angsten en de daarbij gepaard gaande isolatie van emoties die eruit willen breken laten gaan, zodat je meer toegankelijk bent voor je omgeving.
Eindelijk vrij van innerlijke belevenissen van vroeger. Eindelijk rouwen om iets wat je is overkomen. Ja, eindelijk het verdriet laten gaan zoals het zich binnen in je opgesloten aanvoelt.
Ik merk dat soms Indische mensen om mij heen, voornamelijk de wat ouderen, zich gedragen alsof de wereld om hen heen nog steeds vijandig is.
De vaak gecamoufleerde gesloten instelling naar anderen toe, terwijl men met een schijnvertoning van openheid de wereld, de ware belevingen onthoudt.
Als getraumatiseerde kun je niet anders dan jezelf anders voordoen dan wie je bent.
De wereld is vijandig en je bent altijd alert, jouw echte genegenheid en andere gevoelens zijn vaak geblokkeerd. Het liefste verblijf je dan in je huis en als men buitenshuis onaardig tegen je doet, zie je dat als een bevestiging van wat je jezelf inbeeldt.
Dit alles heeft zijn tol geëist, kinderen die hun vader als rationeel en emotieloos ervaren, problemen met uitingen van emotionele blijdschap, emotionele bindingsangst, naar anderen toe.
In je leven heerst het regime van de voorzichtigheid en oplettendheid, de nachtmerries, de blokkade van zichtbare spontaniteit die anderen van je verwachten, en waardoor je vaak tegen onbegrip aan loopt dat heel vaak resulteert in een ongewilde verwijdering.
Ook het beroerde beleid van de Nederlandse overheden geeft aan dit soort gevoelens een voedingsbodem. Het niet erkennen van de meer dan slechte opvang in Nederland van de Indische landgenoten, is een doorn in het oog.
Alles zijn zij kwijtgeraakt. Land, geld en goederen.
Zij moesten het allemaal zelf rooien.
En dat hebben ze gedaan die moeders en vaders van toen. Er was geen tijd voor praten en denken, nee, zo snel mogelijk moest het Nederlandse leven worden opgepakt, en daarbij geen gezeur, want de Nederlanders hadden het al zo moeilijk gehad. Dus niet klagen, maar slikken en schikken.
Velen van hen waren in dienst van de overheid in Nederlands Indië, en hebben nog steeds salarissen, over de oorlogsjaren, tegoed. Ook andere betalingen die Indonesië heeft gedaan zijn nooit doorbetaald aan de rechthebbenden. Elke vorm van een eerlijke tegemoetkoming voor al die mensen die have en goed verloren hebben en in Nederland terecht zijn gekomen zijn tot op heden voortdurend in de steek gelaten.
Ik kan er niet vaak genoeg over vertellen. Het is de schande die kleeft aan de Nederlandse politiek.
De Nederlandse overheid heeft zich in allerlei zaken altijd gedistantieerd met de boodschap dat zij in dienst waren van de Nederlands-Indische overheid en dus niet van Nederland.
Soms als je daar aan denkt dan zakt mijn broek af.
Joodse Nederlanders en leden van de zigeuner-gemeenschap hebben destijds een ruimhartige vergoeding gekregen voor het feit dat al hun goederen verloren zijn gegaan en voor het leed dat hen is aangedaan.
De Indische Nederlanders die land, have en goed hebben moeten achterlaten in Indië en het leed van de Japanse bezetting en de onafhankelijkheidsstrijd van de Indonesiërs achter zich hadden.
Niets, niets en nog eens niets……………………………
Het verborgen leed bij Indische mensen dragen velen ongemerkt met zich mee tot het einde. Vaak dierbaren achterlatend die hun eigen ouder nimmer echt hebben leren kennen.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.

HERINNERING AAN KERSTMIS 1948

Zo tegen het eind van het jaar zat ik te mijmeren hoe wij – toen ik nog jong was – de kerst vierden.
Ik kom uit een gezin van acht kinderen en wij behoorden tot de zogenaamde arme gezinnen uit de stad. Geld was er nauwelijks en als dat er was dan moesten daar gasmunten, elektromunten, kolen en etenswaren worden gekocht, want in een groot gezin moesten vele monden gevuld worden en in die tijd – net als nu – viel dat niet mee. Mijn vader was al jaren zonder werk en mijn moeder was gelukkig een fantastische goochelaar in het besturen van ons gezin. Wij leefden in die tijd grotendeels van de steun. Steun was een soort voorloper van de latere Algemene Bijstandswet, met die verstande dat de uitgekeerde bedragen verhoudingsgewijs aanmerkelijk lager waren.

Kerstbomen kenden wij alleen maar van zien bij anderen thuis en feestmaaltijden waren voor ons niet weggelegd. Voedselbanken bestonden nog niet. Wel kregen wij zo nu en dan een pakket van de kerk met daarin een groot aantal langdurig houdbare levensmiddelen en schoonmaakmiddelen. Van dat weinige wist mijn moeder toch altijd wat lekkers op tafel te krijgen en wij kwamen, naar mijn gevoel, nimmer wat tekort. Maar veel was het niet.

Maar daar kwam ineens een verandering in. Mijn vader ging op de avond van 24 december 1948 even de deur uit om een boodschap te doen. Na ongeveer een klein uurtje kwam hij terug (wij woonden op 3 hoog in een Amsterdamse etagewoning met hele steile trappen) en hij sleepte een kerstboom mee naar boven. Het leek een wonder.

Hij was daar aangekomen omdat de kerstboomverkoper deze sterk verminkte boom aan niemand had kunnen verkopen en hem gewoon op straat had laten liggen. Te lelijk om mee te nemen.
Ik had echter nog nooit zo’n mooie kerstboom gezien
Maar toen hij eenmaal rechtop stond in de kamer was het alleen maar een boom. Versiering daarvoor hadden wij niet. Maar opnieuw kwam mijn moeder op een idee.

In die tijd spaarde vele katholieken gezinnen zilverpapier voor de missie. Wat dat inhield wisten wij als kind nauwelijks. Ma pakte de bak en ging van al dat zilverpapier dingetjes vouwen, vooral het papier van de sigarettenpakjes waren daar erg geschikt voor. Met weer andere stukjes werd hier en daar aan een eind van een tak mee omwikkeld en onze versiering kreeg op deze manier gestalte.
In huis hadden wij altijd wel kaarsen omdat als het licht uitviel (en dat gebeurde nog al eens in die tijd) of dat de elektromunten op waren en dan werden er kaarsen gebruikt om toch nog wat licht te hebben.
Een paar stukken rode lint uit de naaidoos van Ma en wat plukken watten deden verder wonderen.
Zo kregen wij voor het eerst een echte kerstboom in huis in Amsterdam 3 hoog voor.

Toen alles daar stond kon onze kerstnacht niet meer stuk. Het was voor het eerst echt kerst in ons huis. ’s Avonds laat liepen wij met de toenmalige bups naar de kerk voor de nachtmis. Alleen onze grootmoeder ging niet mee want die kon door haar dikte dat eind niet lopen en bleef dus thuis om op de allerkleinste kinderen te passen.

Dit was voor mij de allermooiste kerst die ik ooit heb meegemaakt. Alle luxe die in latere jaren wel aanwezig was hebben dat gevoel van toen nooit meer kunnen evenaren of overtreffen

Reactie plaatsen

Reacties

Han Dehne
15 dagen geleden

Beste Fred, hartelijk dank voor je reactie. In mijn koppie zitten vele herinneringen evenals bij jou, neem ik aan. Sommige daarvan deel ik met plezier. In dit geval laat ik zien dat je ook zonder geld en materiele welstand kan genieten van de simpelste dingen.
Sampai bertumlagi bung.

Fred augenstein
15 dagen geleden

Hallo mr. Dehne. Toen ik acht jaar was werd ik op pad gestuurd om een kerstboom te kopen. Er waren niet veel van die bomen en ik kocht een lelijke boom. Thuis werd ik uitgescholden omdat die boom lelijk was. Daarna tot op heden heb ik nooit meer van kerst gehouden. Raar dat iets uit kinderjaren je zo bij blijft. Verder wens ik u en familie een gezegende kerst toe. Hartelijke groeten. Een grote fan van u.

IK VIND DIE FOTO ZO MOOI......
EEN BIJZONDER KOPPEL IN DE KRATON IN SOLO
Onze grootmoeder Johanna W. Simon was het jongste kind in het gezin van Winter Simon en zijn vrouw Patoet.
Maar dit verhaal gaat over haar oudere zus Aletta Simon. Deze jongedame was altijd een nogal opgewonden standje, tegenwoordig zouden ze zoiets ADHD noemen.
Deze tante Aletta trouwde al redelijk jong met haar grote liefde Oom Hendrik Smith, evenals zijn vrouw afkomstig uit Bojolali.
Deze Oom was één van de koetsiers van PAKOE BOEWONO X, ook wel de Soesoehoenan van Solo.
De relatie tussen Oom en Tante was van een afstand gezien best een beetje bijzonder. Oh zeker, zij waren dol op elkaar.
Edoch, Oom Hendrik had geen moer te vertellen en Tante Aletta maakte de dienst uit. Het grappige was dat als Tante iets vertelde dan herhaalde Oom altijd de laatste 2 woorden die zij had uitgesproken. Het leek wel een soort echoput.
Maar........op een dag ging Pakoe Boewono X paard rijden en plotseling sloeg dat paard op hol. Met gevaar voor eigen leven ging Oom Hendrik met een paard hem achterna en wist de Vorst die dreigde onder de hoeven te komen voor een catastrofe te behoeden en hem te redden.
Zowel de bewaking als de begeleiders van de Vorst hadden stomgeslagen staan kijken naar het gebeuren.
Oom Hendrik was natuurlijk de Held van de dag.
Eén dag later toen alle commotie weer voorbij was en de arts aan het hof de Soesoehoenan gezond had verklaard, op een paar schrammen en een bult op het hoofd na werd Oom Hendrik in de grote zaal van het Hof geëerd. Hij werd daar benoemd tot Hoofdkoetsier en mocht voortaan de Vorst rijden.
Daarnaast kreeg hij een eigen huis met een daaraan gekoppelde paardenstal cadeau. Hij kreeg daarnaast nog een melkkoe in bruikleen en mocht de nieuw geboren kalfjes houden. Daar werd wel als voorwaarde bijgesteld dat hij de melk moest leveren aan de Sultan PB X.
De eigengereide Tante Aletta wist hier een heuse melkstoeterij van te maken. Tijdens of kort na de Grote Oorlog ging deze echter verloren. Het huwelijk tussen Oom en Tante is altijd kinderloos gebleven.
(foto: Oom Hendrik op de bok en de Soesoehoenan in het rijtuig)

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.

OOIT, IN MIJN STUDIETIJD, LEERDE IK DAT DE WETENSCHAP VOORTKOMT UIT VERWONDERING EN NIEUWSGIERIGHEID.

Deze uitdrukking is mij altijd bijgebleven en is uiteindelijk voor mij de lijn geworden waarlangs ik mijn kennis en het “weten“ van de geschiedenis van, wat nu heet Indonesie, heb geprobeerd eigen te maken. Neen, ik ben geen historicus geworden toen ik groter groeide. Mijn studies bewogen zich op het sociale- en antropologische vlak.

Toen ik studeerde sloeg bij mij “verwondering “ toe. Binnen het sociaal kader waarin ik leefde bleek al snel dat velen die uit de Oost afkomstig waren hun eigen geschiedenis niet of nauwelijks kende. Zo’n 400 jaar geschiedenis raakt verloren door dat niet weten.
Oh ja, men wist wel het een en ander, maar dat was gebaseerd op eigen beleving en er over gehoord te hebben van familie en vrienden.

Toen mij dat steeds duidelijker werd ontstond er bij mij echt “nieuwsgierigheid “ om dat te onderzoeken, uit te vogelen, te lezen en te verwerken. Zeg maar gewoon dat dit mijn kwaaltje is.

Weliswaar is de verre geschiedenis van Indonesie verduiveld interressant maar moeilijk te onthouden en te verwerken.
Maar de moderne geschiedenis van Nederlands Indie/Indonesie vanaf 1930 tot aan het eind van de jaren ‘60
Is een periode die goed is te overzien.

Gelukkig zijn er een aantal mensen op facebook die zich daar wat meer in verdiept hebben als anderen en nemen de moeite om daarover te schrijven. Dat is geweldig.
De Indische en Molukse mensen worden daarmee in kennis gesteld van de geschiedenis van zichzelf, hun ouders en grootouders. Kortom zij zijn zelf deel van deze geschiedenis.

Jarenlang hebben wij met zijn allen gezwegen over die delen zij en wij hebben meegemaakt.
Wij hebben zolang gezwegen dat als gevolg daarvan de Nederlandse samenleving niet op de hoogte is van wat in de Oost allemaal gebeurde, welke onmenselijk situaties zich daar hebben voorgedaan.

Een ander gevolg is dat ook de politiek, of zoals ik zenu noem; Rutte en zijn gebroed, geen idee heeft wat de achtergronden zijn van de zogenaamde Indische Kwestie.
Zelfs en ondanks het feit dat nu al jaren door o.a. Peggy Stein en anderen dit onder de aandacht brengen van het parlement en de ministerraad.

Ook mij overkomt het regelmatig in gesprekken met anderen dat als het over Nederlands Indie gaat men met grote glazige ogen naar mij zitten te kijken met een blik van; waar klets je nou over man. Daar heb ik nog nooit over gehoord.

Nou om die reden hoop ik dat al die mannen en vrouwen die op facebook of op andere plaatsen zo moedig zijn dat zij soms zelfs zeer persoonlijke verhalen neerzetten die de hoogste waardering daarvoor krijgen. Zuig die verhalen op en spui ze verder, vooral naar de Nederlandse samenleving. Want daar zit nog altijd heel veel onwetendheid.

Ook onze jongere generaties zijn vaak de dupe geworden van die zwijgzaamheid die wel eens “het Indisch stilzwijgen“
wordt genoemd.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.

HET VERGETEN BATALJON...........
ANDJING NICA.


Het Andjing Nica Bataljon (vijfde bataljon, Infanterie V) van het Koninklijke Nederlands-Indische Leger werd op 2 december 1945 te Bandoeng opgericht tijdens de Bersiapperiode, die volgde op de capitulatie van Japan, na de bezetting van Nederlands-Indië door deze natie. Te Bandoeng was indertijd het Tjilhapitkamp met veel geïnterneerden, dat ernstig bedreigd werd door de massale aanwezigheid, ten oosten van dit kamp, van honderden goed gewapende extremisten.
Dat de ongeregelde bendes zeer gevaarlijk konden worden was onder meer al gebleken uit de moordpartijen die eerder op Bronbeek hadden plaatsgevonden. Ter bescherming van de kampbevolking werden knokploegen samengesteld en bij schrijven van de chef van de Generale Staf van 24 september 1945 een afdeling Militaire Politie opgericht.


Vele jonge jongens, waaronder Nederlanders, Ambonezen, Menadonezen, Timorezen, Javanen en Soedanezen meldden zich als vrijwilliger aan en al snel hierop werden deze mannen bewapend (veelal met eerder door de Japanners op de Geallieerden buitgemaakte wapens) en kon begonnen worden met de oefening van de nieuwe soldaten, allen voormalige krijgsgevangenen, voor een nieuw op te richten eenheid.
Op 2 december 1945, de formele oprichtingsdatum van het vijfde bataljon, was de eenheid opgebouwd uit een staf en 2 compagnieën, en stond onder commando van kapitein der infanterie J.C. Pasqua. Tot compagniescommandant werden twee kapiteins en een eerste luitenant, te weten Jahn (die bij een actie door een klewanghouw gewond raakte), Coureur en C.A. Trieling benoemd. De verdere opleiding van de manschappen zou plaatsvinden in het gebouw van de Koninklijke Militaire Academie te Bandoeng.


Beginperiode: de Bersiap
Kapitein A. van Santen, in 1945 commandant van de mitrailleurs en mortieren, later korpscommandant en chef operaties, nam nu de oefening van de nieuwe rekruten verder ter hand en op 10 december 1945 kon een ondersteuningscompagbrencarriers in actienie opgericht worden. Ten slotte werd het vijfde bataljon op 14 december formeel geïnspecteerd door generaal Mac Donald, de troepencommandant van Bandoeng en Tjimahi, en een week later verplaatst naar Tjimahi. De eerste prioriteit was nu de bewaking van de vroegere interneringskampen van de Engelsen over te nemen.


De eenheid was aan Mac Donald gepresenteerd als een "Home-Guard", een bewakingsonderdeel, omdat de Engelsen zich onder druk van de Indonesische nationalisten, onder leiding van Soerkarno, verzet hadden tegen een legereenheid. In deze tijd nam het aantal moorden onder (Indo) Europenanen hand over hand toe, zoals de slachting (schattingen van het aantal doden lopen uiteen tot 200 doden) in de Simpangclub in Soerabaja, op 15 oktober 1945, aantoonde.


Ook de aanvallen door extremisten op Britse posten continueerden. Nadat een handjevol Engelsen of Brits-Indiërs op een post in een wanhopige laatste poging de laatste patroon had verschoten begon vaak een moordorgie, gepleegd door extremisten, waarbij de aangegroeide massa de afgehakte armen en benen in de lucht wierp, terwijl men "Merdeka" schreeuwde.
Een "Rapwi"-konvooi (Royal Army Prisoners of War Institute), bestaande uit vrachtauto´s met meer dan 100 Nederlandse vrouwen en kinderen, werd aangevallen, in brand gestoken en vrijwel allemaal op beestachtige wijze uitgemoord, ondanks de heldhaftige strijd van de Brits-Indische begeleiders, die tot de laatste man om het leven kwamen. De hoogste tol betaalden de Indische Nederlanders, die bij tientallen werden opgepakt, mishandeld, vernederd en vermoord.


Andjin Nica
Begin 1946 werd het bewakingsrayon verder uitgebreid, versterkt met twee tirailleurcompagnieën en was aldus op 18 januari 1946 in complete formatie. Onder commando van majoor T. Willer, die op 21 januari 1946 Pasqua had opgUitgraven landmijnenevolgd, en vervolgens onder bevel van majoor J.A. Scheffelaar (12 februari 1946) werden de eerste patrouilles gedaan en hevige gevechten met extremisten geleverd.


Nadat een poging van hen om het westelijke en noordwestelijke gedeelte van Tjimahi binnen te dringen door het vijfde bataljon werd verijdeld gaf de Indonesische radio Jogja de eenheid de naam van "Andjing Nica" (Nica - alles wat Nederlands was - honden).
Vanaf dit moment droeg ieder lid van het korps een badge met de afbeelding van een hondenkop. Intussen begonnen gewapende troepen zich rondom de kampen te formeren. Niet alle expedities in de begintijd liepen zodoende goed af.
Tijdens een mislukte patrouille liep een groep soldaten in een hinderlaag, waarbij vijf doden, een zwaargewonde en vier licht gewonden vielen. Indertijd gebruikten de extremisten vrouwen en kinderen vaak als menselijk schild. Soms vonden de manschappen tijdens een patrouille hun moeder en zusters verkracht en vermoord terug in een put, een mogelijke verklaring waarom er een enkele keer "excessen" plaatsvonden.


Bandoengperiode
In april 1946 kwamen de eerste drie bataljons oorlogsvrijwilligers uit Nederland aan: 1-3 RI (de Watermannen), 1-5 RI (de Krokodillen) en 1-9 RI (de Friezen). Samen met het vijfde bataljon voerden deze aanvullingstroepen diverse zuiverinAntjin nica in opmarsgsacties uit, zodat Tjimahi en een groot gebied ten noorden van deze stad weer onder controle waren. Andjing Nica ging nu deel uitmaken van de V-brigade, dat onder commando stond van kolonel J.K. Meyer, met als taak het noordelijk gedeelte van Bandoeng te bezetten en te zuiveren van terroristische activiteiten.


In deze tijd werden door de extremisten vaak booby traps bij de lijken van omgebrachte Nederlandse soldaten aangebracht, zodat, als de makkers van de dode jongens deze lichamen optilden, zij ook aan stukken gescheurd werden.
Veel ondernemingen, die intussen door Nederlandse troepen gezuiverd waren, trokken voor veel geld werknemers aan, die de bedrijven weer rendabel dienden te maken. Een groot aantal van deze mannen, die geen besef hadden van de dreigende situatie, vielen ten offer aan extremisten. Hun lijken werden later onthoofd en verminkt teruggevonden.
Het vijfde bataljon kreeg op 17 augustus 1946 het bevel van legercommandant Simon Spoor dat de eenheid voortaan Andjing Nica bataljon zou heten en dat de Andjing Nica badge, een grauwende rode hondenkop, als mouwembleem diende te worden gedragen. In oktober 1946 werd overgegaan tot de bezetting van het noordelijk en oostelijk front van Bandoeng en startte men zuiveringsacties.


Eerste Politionele Actie
Nadat Scheffelaar werd overgeplaatst naar Makassar werd Van Santen, op dat moment actief als commandant van de vierde brigade op Sumatra, benoemd tot aanvoerder van het Andjing Nica bataljon.¨Op 19 juli 1947 kreeg de Timorese serAppelsienjtes sandrien2geant Frans Timotheus, in aanwezigheid van de commandant van de B-divisie, de V-brigade en de resident van Bandoeng, door Van Santen de Bronzen Leeuw uitgereikt. Dat was voor diens moedige acties in de voorgaande periode. Kort hierop nam Andjing Nica in brigadeverband, als lid van de V-brigade, commandant J.K Meyer, deel aan de Eerste Politionele Actie.
Andere eenheden die deelnamen waren de drie bataljons oorlogsvrijwilligers, de verbindingsafdeling, de pelotonstafwacht, een eskadron tanks, een eskadron pantserwagens van het Regiment Huzaren van Boreel, onder commando van jhr. mr. M.W.C. de Jonge, met onder meer ritmeester Frits Broertjes, en artillerie, geschut en genie.


Vanaf 21 juli 1947 nam het Antjing Nica-bataljon deel aan Operatie Product. Allereerst werd een kampongcomplex ten oosten van Bandoeng bezet en vervolgens Palintang veroverd. Van hier rukte het bataljon op naar Tandjoensari en Cheribon en vervolgens werd verder getrokken naar Tegal, Poerwokerto en tenslotte, op 4 augustus 1947, Gombong. Dit was aan het einde van de Eerste Politionele Actie en vanaf nuvolgde een periode van intensieve patrouilles.
In het vierde kwartaal van 1947 werd Andjing Nica ingezet op West-Java: samen met een landingsdivisie bezette het bataljon Pangandaran en leverde daar diverse hevige gevechten. Tijdens het demonteren van een trekbom sneuvelden vier soldaten van het vijfde bataljon; de republikeinen, die zich niet hielden aan het bestand, brachten de explosieven middels infiltranten in burgerkleding in het Nederlandse gebied. Na een actie werd Karanganjar veroverd en een grote voorraad mijnen, trekbommen en andere springstoffen buitgemaakt.


Diverse strijdhandelingen
Eind 1947 kreeg commandant Van Santen recuperatieverlof naar Nederland en werd opgevolgd door luitenant-kolonel B.L. de Goede. Van Santen werFluitorkest Amboneesd uitgeleide gedaan door het spelen door het Ambonese fluitorkest van de tweede compagnie: "Andjing Nica tida takoet mati" (de Andjing Nica is niet bang om te sterven).
Ook ondercommandanten vertrokken soms naar andere eenheden of overleden: zo ging luitenant Trieling over bij het Korps Commando Troepen van Raymond Westerling en kwam kapitein Bep Clignett om het leven tijdens een jeep-ongeval. Na verloop van tijd nam Van Santen het commando weer op zich.
Deze periode werd gekenmerkt door een groot aantal zuiveringsacties, onder meer in de buurt van Kroja en Adjibarang. Er was indertijd een staakt het vuren afgesproken maar de infiltraties over de demarcatielijn vonden ongehinderd doorgang en ook vijandelijke acties werden niet geschuwd. Derhalve werd besloten tot een Tweede Politionele Actie: Operatie Kraai. Andjing Nica werd hiertoe ingedeeld bij de W-brigade, die onder commando stond van kolonel Jan Breemouwer. Van Santen was tijdens de actie actief als zelfstandig commandant van de colonne IV.


Tweede Politionele Actie
Het vijfde bataljon was tijdens de opmars onder meer versterkt met het Koninklijke Landmacht bataljon 4-11 RI. Van Gombong werd naar Poerworedjo opgerukt. Aldaar zou Andjing Nica onder het tactisch commando van de TijgerbrigPoewrworedjeoeopopade van kolonel D.R.A. van Langen worden geplaatst. Colonne IV was samengesteld uit de colonne Karanganjar, Keboemen, de treincolonne 4-II RI, de colonne infanterie V, de gemotoriseerde spits, de gevechtsstaf infanterie V, de hoofdmacht en de achterhoede.
Nadat Poerworedjo ingenomen was begon men met de stad te zuiveren van bommen, mijnen en andere explosieven. Vrijwel alle belangrijke gebouwen en diverse installaties waren zwaar ondermijnd en tonnen aan vijandelijke explosieven werden gevonden en onschadelijk gemaakt. Uiteindelijk bereikten de troepen Magelang, waar zij alle gouvernementswoningen vernield en de bewoners van de gevangenis geliquideerd vonden.
In de periode die hierop volgde ondernam Andjing Nica diverse acties in de omgeving van Magelang, waardoor de vijandige intimidatie van de bevolking sterk afnam. Een militaire truck werd op 13 maart 1949 door een trekbom getroffen, waardoor elf doden en zes gewonden onder de leden van het bataljon vielen.


Periode tot de soevereiniteitsoverdracht
Nu brak de periode van de Van Royen-Roem onderhandelingen en overeenkomsten aan. Jogja diende ontruimd te worden en ter beveiliging van vertrekkende burgers en militairen werd het commando evacuatie route ingesteld, waardoor de posten Salam, Moentilan, Pabelan en Blondo door Andjing Nica werden ontruimd. Kort hierna kreeg het vijfde bataljon de opdracht de T-brigade te steunen.
Andere activiteiten in deze periode waren onder meer een grote zuiveringsactie in de Gawokpas en de aanvallen op Bagelen, Wadjamoettihan, Bandjoe Oerip en Kalinanka. Op 25 juli 1949 gaf luitenant-kolonel Van Santen het commando over aan majoor van Loon en nam het bevel van de Tijgerbrigade op zich. Omdat er een staakt het vuren overeenkomst getekend was werd de patrouillegang van Andjing Nica nu primair gericht op defensief optreden en veilig stellen van eigen personeel en verbindingen.
Ook werd voortgegaan met het opruimen van kwaadwillenden en overtreders van de staakt het vuren. Nadat majoor van Loon door een auto-ongeluk was uitgeschakeld werd hij opgevolgd door kapitein A.E.J. Schlosmacher, commandant stafcie.


Het einde van Adjing Nica
Doordat men geen zekerheid omtrent de toekomst der KNIL-militairen na de soevereiniteitsoverdracht kreeg ontstond grote onrust en angst onder alle rangen en landaarden van Antjing Nica. Mede hierdoor nam het aantal desertiegevallen toe en heerste er een grote verslagenheid onder de Indonesische militairen toen de voorlopige voorwaarden der reorganisatie van het KNIL bekend werden.
Het Andjing Nica bataljon was, mede door de jarenlange slopende patrouilles en felle gevechten, niet erg pro-TNI en nam een overgang naar de strijdkrachten van de Republiek Indonesië niet eens in overweging.
Toen werd besloten dat het bataljon van Java zou vertrekken werd deze mededeling met vreugde ontvangen omdat men zich daar niet langer veilig voelde. In december 1949 verliet Andjing Nica Java met bestemming Oost-Borneo, waarmee een einde kwam aan het veelbewogen bestaan van het vijfde bataljon.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.

 

 

OH JIJ......zelfs nu
nog steeds

Mijn hart gaat tekeer
even verlegen en onzeker
als die allereerste keer
trillend en stotterend
bij die ene lieve lach
die mij heel gelukkig maakt
gelukkig voor die dag
en dan dat fijn gevoel
waar ik niet aan wen
dat gevoel diep van binnen
als ik heel dicht bij je ben
van die lach op mijn gezicht
valt alles af te lezen
de kriebels in mijn buik
dat kan maar één ding wezen:
ik hou nog steeds intens van jou!

 

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.

ROMANTIEK IN DE TENT........

Het is donker. Donkerder dan we het normaal hebben. We liggen in de tent en je torent boven me uit. Grote schaduwen zie ik op het doek om ons heen en jij bent als een schim vermengt in die donkere kleuren.
Indrukwekkend, dwingend, je kijkt op me neer zoals ik daar op m’n rug lig. Alleen het schijnsel van een vage zaklantaarn om ons heen. Je kijkt triomfantelijk, maar ook heel dierlijk. Alsof je me wilt verslinden, zo hang je boven me. ‘Kom laten we het zonder doen’ zeg je. Er zit een zweem van smeken in, terwijl je je dominant gedraagt. Je weet al dat je me zo ver hebt. Je weet dat je niet hoeft te vragen. Maar zo ben je, mannelijk en toch teder.

Ik kijk hem aan met geloken ogen en probeer tot het diepst bij hem binnen te dringen.....
En met mijn meest zwoele en verleidelijke stem antwoord ik hem; Nee, het regent en ik wil wandelen met een paraplu.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.

HOE ONGELUKKIG OF GELUKKIG KUN JE ZIJN ALS JE ALLES VERLIEST. DIT GAAT OVER ONZE GROOTOUDERS.
Deze lieve mensen, onze grootmoeder Johanna W. Simon en Opa Archibald Loppé, zijn niet gesneuveld, niet in een kamp doodgegaan, maar gewoon hier in Nederland, in Maastricht.
MAAR ZIJ ZIJN BEIDEN WEL OORLOGSSLACHTOFFERS.
Deze mensen stierven een beetje dood toen zij gedwongen hun geboortegrond moesten verlaten en naar Nederland kwamen. Destijds heette dat terugkeren naar het vaderland. Maar wat was het echt.
Dat de Rijn bij Lobith ons land binnenkomt? Hoe zo ons land? Zij woonden vlak bij de Bengawan Solo.
Lees dit maar eens als ik over Opa Loppé wat verder schrijf.
Opa Archibald Bartholomeus Loppé was eind jaren '50 met Oma Johanna Wilhelmina Simon naar Nederland gekomen om hier met hun kinderen te worden herenigd. Zes kinderen van Oma uit haar eerste huwelijk waren hun inmiddels voorgegaan en twee andere kinderen van Oma kozen er voor om in Indonesia te blijven wonen.
In Nederlands-Indie was Opa zeer bekend als een klassiek muzikant en componist. Vooral de viool was zijn lievelingsinstrument, terwijl hij ook een begenadigd pianist was.
Het was een uiterst stille man en hij leed aan astmatische aandoeningen, die hem erg beperkten in zijn leven. Daarnaast kon hij absoluut niet aarden in Nederland, zodat hij ook nimmer een poging heeft gedaan om met zijn muzikale talenten iets te gaan doen. Als gevolg van al die factoren werd hij binnen zijn eigen omgeving een soort kluizenaar.
Het grootste deel van zijn leven speelde zich af in zijn slaapkamer. Daar had hij een aantal radiotoestellen staan en een pick-up om platen te draaien. Zodra er bezoek was bij Oma en Opa thuis verdween hij naar zijn kamer omdat hij bang was benauwd te worden en dat wilde hij niet laten zien aan anderen en vooral niet aan zijn kleinkinderen.
Opa Loppé had in de eerste paar jaren na aankomst in Nederland van moltondekens altijd zijn eigen kleding gemaakt om te dienen als buitenjas. Hij had het altijd koud en wilde vooral warm gekleed gaan. Oma daarentegen was een modebewuste vrouw en zeer sociaal ingesteld. Maakte links en rechts praatjes en als zij gekookt of gebakken had dan deelde zij daarvan regelmatig iets uit aan de diverse Hollandse buren. Ook ging zij - tot op hoge leeftijd - altijd zelfstandig haar boodschappen doen of ging "bussen". Dat vond ze altijd prachtig.
Zij kocht dan een buskaart en reed daarmee tot aan het eindpunt. Als ze daar was aangekomen nam ze de volgende bus weer terug. Oh, wat genoot ze daarvan. Vooral als het zomer was en het dakraam van de bus open stond. Zij ging dan altijd in het achterste deel van de bus zitten en in de wind die door het dakraam binnenkwam. Oh, Nie is zo lekker hier! was haar gevleugelde opmerking.
Opa bleef dus veelal in zijn kamer. Iedere morgen dan zette hij één van de radio's aan met klassieke muziek, vooral Duitse zenders, deed alle ramen open en pakte zijn viool en speelde dan fanatiek mee. Het was wonderschoon om te horen en vele mensen stonden dan op hun balkon of op straat en luisterden vol bewondering mee. Echter als iemand het waagde om een applaus te geven dan stopte hij abrupt, sloot de ramen en wachtte tot iedereen weer weg was.
Soms ging ik met Opa mee naar de stad omdat hij dan een boodschap moest doen. Die boodschap bestond dan altijd uit een bezoek aan de "pianowinkel". In die zaak stonden een aantal piano's en vleugels voor de verkoop. Opa ging dan naar binnen en was "zogenaamd" geïnteresseerd in een eventuele aankoop van een piano. Hij had niet doordat het verkopend personeel al lang wist wie hij was en zij lieten hem dan ongemoeid. Altijd vroeg hij dan om één van de instrumenten te mogen uitproberen. Hijzelf noemde dat altijd "proeven".
Met zijn frele lichaam ging hij dan op de kruk zitten, slot de ogen en begon dan het een of ander pianoconcert te spelen. Alle in de winkel aanwezige mensen gingen dan zitten en luisterden ademloos naar het werk dat bij bracht. Als hij zijn stuik had gespeeld stond hij geruisloos weer op en vertelde dan tegen de verkopers dat hij nog even wilde nadenken over een eventuele aankoop, verliet de winkel als een gelukkig man en ging weer naar huis.
Voor hem was dat de enige manier om zich uit te leven en, volgens mij, om zichzelf te zijn, teruggetrokken in een andere wereld. Geld had hij toch niet voor een piano en bovendien had hij de ruimte ook niet.
Hij was de tweede man van Oma en zij zijn samen getrouwd nadat zij een vervelende echtscheiding achter de rug had. Pas toen zij elkaar een aantal jaren kenden besloten zij alsnog te trouwen.
Door ons allemaal, kinderen en kleinkinderen werd hij altijd "Opa Loppé" genoemd.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.

AL DAT GELEUTER OVER DE KLEUR VAN PIET........
Nee hoor dit is geen zwarte pieten discussie.
De eerste klachten die ik heb gevonden, stammen uit 1927. Een zwarte man moest toen voor de Rotterdamse politierechter verschijnen, omdat hij een havenarbeider had geslagen. De beklaagde verweerde zich bij de rechter met het feit dat hij was uitgescholden en zei dat zwarte mensen in Nederland voortdurend worden uitgemaakt voor Zwarte Piet. tekende het Rotterdamsch Nieuwsblad uit zijn mond op. Uit het stuk blijkt dat de politierechter hem een zeer lage boete gaf voor het vergrijp, omdat hij het motief van de dader begreep. De journalist dacht er ook zo over en twijfelde in zijn stuk hevig aan de gastvrijheid van Nederlanders.
Een aantal jaar later kwam een vergelijkbare zaak niet eens voor de rechter. Bokser Albert Lafour had een paar kinderen ruw aangepakt nadat zij hem Zwarte Piet hadden genoemd. De politieagent vond Lafours reactie eigenlijk wel terecht – en daarmee was de kous af.
Die reputatie bleek in Nederlands-Indië, dat al snel de onafhankelijkheid zou uitroepen, toch echt niet onaantastbaar. Het sinterklaasfeest lag ook daar bij sommigen gevoelig. De heer Achjar Hadi schreef in 1952 in het dagblad Siasat over de (onbewuste) vergiftiging van Indonesische kinderen met een feest waarin ‘gekleurden lager in rang zijn dan blanken’. Een anonieme schrijver in De Nieuwsgier, een Javaanse krant gericht op Nederlanders in het recent gedekoloniseerde land, reageerde verrast. Zo had hij nog nooit tegen Sinterklaas aangekeken. Hoewel hij allerlei argumenten aandroeg tegen het betoog van Hadi, bond de schrijver uiteindelijk toch in: naast Zwarte Pieten moesten er ook maar Witte Jannen mee met de Sint, die zelf ook best zwart mocht zijn.
Sommige Indische Nederlanders die na de dekolonisatie (noodgedwongen) naar Nederland gingen, merkten dat zij door hun landgenoten werden aangezien voor Zwarte Piet. Sandra Reemer zei in het boek Opgevangen in andijvielucht (2013) van onderzoekster Griselda Molemans.; “Destijds werden we echt als tweederangsburgers gezien. Mensen raakten me aan om te zien of ik afgaf, omdat ze dat gewend waren van Zwarte Pieten. Ze wisten niet beter “
Maar eigenlijk gaat het niet daarover, nee, het gaat over discriminatie met een forse verwijzing naar de Nederlandse geschiedenis en de handel in slaven.
Bij voortduring wordt verwezen naar het feit dat zwartof bruin gekleurde mensen vele jaren geroofd werden en daarna als slaaf verkocht zijn om de blanken te dienen.
Oké, jazeker dat heeft bestaan.
Nu, in deze tijd is dat verwerpelijk te noemen, zeker met de inzichten die nu anno de 21e eeuw bestaan.
Maar waar geen aandacht aan wordt geschonkenis dat ook al vele eeuwen blanke mensen als slaaf verkocht zijn in dezelfde perioden als de zwarte slaven.
Voor de Indische Nederlanders wil ik aangeven dat vele en vele jaren vanuit Sumatra de daar wonende Sumatranen, o.a. de Sabaanse landen en Dajak stammen beruchte zeerovers waren die met hun prauwen vele Europese schepen enterden en de bemanningen als slaaf verkochten aan figuren uit naburige landen om daar, net als de zwarten in Amerika, Midden Amerika en landen in Zuid Amerika, en die dan zware arbeid moesten verrichten in bijvoorbeeld de landen van het Midden Oosten.
Nu in deze tijd is slavenarbeid walgelijk te noemen en in de meeste landen van de wereld zeer strafbaar. Edoch een paar honderd jaar geleden vond men dat heel normaal.
Jammer genoeg is de kleine groep die nu het hardste schreeuwt en steeds verwijst naar het slaaf zijn van hun voorouders slecht op de hoogte van de werkelijke geschiedenis hiervan.
Dat zij daarbij, door hun provocatief gedrag, zeer veel weerstand oproepen is duidelijk. Dat de weerzin tegen deze groep met hun puberaal gedrag er op uit zijn om zo’n Sinterklaasfeest te verpesten voor de kinderen is voor mij walgelijk gedrag.
Het is triest om mee te moeten maken dat 2 partijen, die alle twee een vorm van “gelijk“ hebben elkaar te vuur en zwaard aan het bakkeleien zijn, waarbij zelfs geweld niet wordt geschuwd.
Als men verandering wil dan kan dat alleen door te proberen een consensus te bereiken met andere partijen. Het zal duidelijk zijn dat daar waar verandering wordt bepleit dat onmiddellijk weerstand oproept. Dat is overal en altijd het geval bij welke verandering dan ook.
Tegen de jongelui die nu zo bezig zijn en kennelijk willen blijven wil ik zeggen; “stop met jullie onvolwassen gedrag “. Zoek de discussie en probeer op een echte vreedzame manier jullie doel te bereiken. Ook de zogenaamde Pro-groep moet stoppen met het geweld dat zij vertonen.
Ikzelf sta blanco voor wat dit betreft, ga je echt organiseren om daarna als een echte beweging te proberen die dingen veranderd te krijgen die jullie voorstaan door met elkaar in gesprek te komen.
Stop met het pesterig gedrag rond de Sinterklaasdagen waar alleen maar de kinderen de dupe van worden.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.

ANDERE TIJDEN...…..zomaar uit ons eigen album
Nieuw Guinea van toen.
Het leven vanaf ongeveer 1949 was vooral primitief maar oh wat waren wij daar gelukkig. Bevrijd van de Jappen en verlost uit de nationalistische kampen op Java voelden wij ons senang.
Maar ook daar ontstonden problemen omdat de Indonesiërs ook dit goddelijke land zich wilde toe-eigenen. De wereldpolitiek verraadde de Papoea's en Nederland moest de Papoea's in de steek laten.
Zelfs nu, na zoveel jaren mag er geen Free Papoea ontstaan.
Jammer, nee, schandalig.

 

 

 

 

 

Beste en lieve lezers, zoals ik al eerder heb verteld mochten Mary en ik zo’n 10 jaar van ons leven doorbrengen op het voor ons goddelijke eiland Curacao. Voor ons een eiland om lief te hebben.
Oh ja, er zijn natuurlijk overal prachtige landen en eilanden te vinden op deze wereld en stiekem verlangen wij allemaal wel eens op zo’n plek te mogen zijn, samen met degene die je liefhebt.
Curacao, een zonovergoten eiland met een prachtige maar harde natuur. Bergen, heuvels en dalen, uitbundige kleurenprachten en geweldige strandjes en baaien. Ook in Historisch opzicht kom je daar niets te kort. Maar het kan ook soms behoorlijk regenen, maar zelfs dan is het prachtig
Maar ook de mensen zijn hartelijk daar. Hoe je er ook uitziet, hoe je ook gekleed bent, niets wordt gek gevonden. Leef en laat leven is bijna een nationaal motto.
VERDOMME IK HOU VAN DAT EILAND...............

GA MAAR EENS ZELF KIJKEN EN DAN HOOR IK HET WEL......

 

 

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.

ER IS NIETS GELEERD......
zij kwamen uit Insulinde aangevaren
verdreven van hun geboortegrond
omdat zij daar niet meer welkom waren
kwamen in Holland aan hun hart gewond
bouwden een nieuw leven in Nederland
mond dicht en werken voor een nieuw bestaan
nauwelijks echt geholpen, zonder gulle hand
toetoep moeloet, in dit kikkerland ben je voortaan
zij hebben het met z'n allen toch maar gedaan
bouwden een goed en eerlijk leven
accepteerde Neerlands zwijgen over hun bestaan
vergaten zelf uitleg van hun eigen verhaal te geven
pas na jaren ontstond rumoer in hun groep
er klonk een rechtvaardige nieuwe roep
erken de nare ervaringen in Indie uit die tijd
en zorg dat zij van dat trauma worden bevrijd
al hun geld en goederen en goederen gingen verloren
zij kwamen in Nederland om te de armen te behoren
nooit werden zij door wie dan ook gecompenseerd
de Nederlandse overheid heeft uit dit verleden niets geleerd.

 

 

 

 

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.

DE INDISCHE KWESTIE IS OOK EEN NEDERLANDSE KWESTIE!

Al vele jaren wordt er gesproken en aangedrongen bij de Nederlandse regering en de Tweede Kamer om mee te werken aan een definitieve oplossing van dat wat altijd de Indische Kwestie is genoemd.

Aanvankelijk werd hiervoor een zogenaamd Indisch Platform voor benoemd om als gesprekspartner te fungeren voor met name de Staatssecretaris van Rijn. Dit platform bestond uit een aantal leden van vooral kleine Indische organisaties. Zij wilden en moesten de belangen van de Indische gemeenschap behartigen.
Helaas was men vergeten om er voor te zorgen dat er onder die gemeenschap een voldoende draagvlak te creeeren.

Nadat o.a. het onderzoek naar de zogenaamde “Pay Back“ situatie was afgerond en middels een boek openbaar werd gemaakt ontstond er een situatie van “hoe verder “.
Ik ga niet alle gebeurtenissen op nieuw op een rij zetten, maar binnen de Indische samenleving in Nederland was er al lange tijd een grote onvrede over de manier waarop het Indisch Platform dat onder leiding stond van Dhr. S.
Hij ging uiteindelijk accoord met een soort regeling die er toe heeft geleid dat de nog levende oud-ambtenaren en militairen een toezegging kregen waarbij zij alsnog hun nooit niet uitgekeerd salaris zouden ontvangen. Maar door de knullige wijze van inspraak door het Indisch Platform, is nu na enkele jaren nog maar een heel klein deel daarvan gerealiseert. Bovendien gingen zij akkoord met het uitsluiten van de weduwen zodat zij geen recht kregen op dit - uiteindelijk samen verdiend - gezinsinkomen.
Alle andere geluiden uit de Indische samenleving werden stelselmatig niet opgepikt en bleven onbesproken.

Ik ga niet in op de vele aantijgingen die aan het adres van Dhr.S die als voorzitter en woordvoerder van dat Platform zijn gedaan. Wel ontstond daardoor het gevoel dat de Indische zaak door hem werd verkwanseld.

Het overgrote deel van de Indische Nederlanders en Molukkers
hadden echt geen vertrouwen meer in Dhr. S en zijn sterk geminimaliseerd platform.
Hen werd verzocht op te stappen omdat hun ondeskundig beleid niet langer acceptabel was. Maar kortzichtig en op de functie belust bleven zij zitten op hun stoel.

Inmiddels waren er al langere tijd andere en meer capabele mensen opgestaan, gesteund door een zeer grote achterban.
Mevr. Peggy Stein en Anton Te Meij, gesteund door een enorme zwaar teleurgestelde en zelfs zeer boze achterban werd aan alle kanten aangeraden om een nieuw platform te vormen.
Het Platform 2.0 werd een feit en inmiddels hebben zij al een aantal gesprekken gevoerd in Den Haag.

MAAR WAAROM IS HET OOK EEN NEDERLANDSE KWESTIE?

Nadat de Japanse bezetting van Nederlands Indie op 15 augustus 1945 ten einde kwam riep Sukarno en zijn companen op 17 augustus de onafhankelijke staat Indonesie uit.
De Indonesiers hadden al vele, vele jaren verlangd om hun eigen zaken te regelen en wilden af van het voormalig Koloniaal bewind van Nederland.

Vrijwel op het moment dat zij zichzelf vrij verklaarden ontstond de periode die “de Bersiap “ werd genoemd. Nederland deed pogingen om het voormalig gezag te herstellen en de Indonesiers wilden hunn eigen gezag uitoefenen.
Helaas verharde de Nederlandse overheid hun strategie tot het opnieuw onderwerpen van de bevolking. Natuurlijk leidde dat tot grote conflicten. Eerst gingen Indonesische bendes massaal de straat op en roofden en moorden links en rechts de door hen zo gehate Nederlanders en Indo’s.
Er was op dat moment een soort vacuum waarin de net benoemde Indonesische machthebbers hun greep op de bevolking nog niet helemaal op orde hadden, terwijl de Nederlanders bezig waren om hun grip op diezelfde bevolking door militairen te laten uitvoeren.

In gesprek gaan met elkaar zat er niet in en de strijd verharde zich nog meer nadat de Indonesiers hun krijgsmacht redelijk op orde kregen en zij ook steeds meer en zwaarder bewapend raakten.

Ondertussen was het al lang duidelijk dat de USA, Rusland en Engeland niet wilden hebben dat Nederland opnieuw kolonisator werd. Zij schaarden zich al snel achter de Indonesische plannen. Maar Nederland bleef zich tot het uiterste verzetten hiertegen, zowel militair als diplomatiek.

Afijn, uiteindelijk ontstond er een situatie waarbij de vele Nederlanders en Indo’s moesten vrezen voor hun leven waardoor zij weg wilden naar Nederland.
Maar de Nederlandse regering zat helemaal niet zo op deze mensen te wachten waarover zij zeer neerbuigend en beledigend spraken.
Edoch, zij konden deze Nederlanders niet tegenhouden. Massaal kwamen zij in Nederland aan zonder noemenswaardige bezittingen. Alles was geroofd, gestolen of moest men achterlaten. Berooid van alles kwamen zij in Nederland.

Bij aankomst konden zij allerlei voorschotten krijgen voor kleding en inboedel, maar alles moest worden terugbetaald. Voor velen was het daardoor armoe troef.
In Nederland waren alle behaalde diploma’s ineens niet meer geldig en velen die moesten ver beneden hun niveau een baan accepteren of bij weigering honger lijden.
Oh ja, je kan hierover een boek schrijven zo dik als het Oude- en Nieuwe Testament bij elkaar.

Na jaren te hebben gezwegen over de vernederingen hen aangedaan als Nederlanders door de Nederlandse overheid is nu al een aantal jaartjes het tij gekeerd.
Niks zwijgen. De tijd van eisen is aangebroken.

De geschiedenis terugdraaien is onmogelijk maar vergoeden wat weg is kan wel. De schande van miskenning van zo’n 70 jaar kan alleen worden uitgewist door enerzijds de Nederlandse overheid schuld te laten bekennen aan hun halstarrige houding in het verleden waardoor meer dan 300.000 Nederlanders op drift raakten en haastig naar Nederland moesten uitwijken, vluchten of terugkeren.
Als kale kippen kwamen ze aan en daarna werden de laatste restjes nogmaals geplukt door de overheden.

Om al die redenen is het terecht dat de gehele Indische gemeenschap in Nederland genoegdoening begint te eisen. Een schadevergoeding voor alles wat teloor ging.

Nederland isnog steeds het enige land ter wereld dat in dat opzicht zijn verplichtingen niet is nagekomen.

HET WORDT DE HOOGSTE TIJD DAT DIT AFGEHANDELD WORDT ONDANKS DE ONWIL VAN DE HUIDIGE REGERING.

Reactie plaatsen

Reacties

Willem A. Brückel
een maand geleden

“Om al die redenen is het terecht dat de gehele Indische
gemeenschap in Nederland en ook daar buiten genoegdoening begint te eisen.
( een paar woorden toegevoegd) WAB.

ODE AAN DE SAMBAL
Ik bleef als baby veel te klein
De dokter moest zich ermee bemoeien
Maar door sambal als medicijn
Kon ik tot groter groeien
Met buikpijn is het vaak te naar
Dat moet je 'n keer maar ondervinden
Alleen met sambal speel je het klaar
En zal het kauwsel beter ontbinden
Sambal Oelek, Sambal Badjak
Sambal Glódèk, Sambal Roedjak
In je nasi, brood of soep of ajam bali
sambal blijft altijd - enak sekali
Een meisje ging met mij in zee
Maar 'k wist niet hoe ik haar moest kussen
Sambal bracht me op 'n idee
Zo kon ik de liefdesvuurtjes doven
Door sambal raak je doorgaans rood
't maakt je zalig, vief en high
Daarom is sambal m'n dagelijks brood
Voor moedelozen een ommezwaai
Zij die mij hierin niet geloven
Wil ik graag de mond vol smeren
Door sambal raak je ondersteboven
Dus eet meer sambal, dames en heren.

 

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.

Al ongeveer een jaar is de Kraton in Solo, Soerakarta gesloten voor het publiek. De pracht en praal van het Paleis van de Susuhunan blijft voorlopig uit het zicht voor belangstellenden.
Het is ook heel erg jammer voor de zieke Paku Buwono XIII en de familieleden. Het paleis is al vele jaren niet meer in het bezit van de familie maar van de Indonesische Overheid. Misschien daardoor is deze situatie ontstaan. Hopenlijk hebben zij voldoende historisch besef zodat er gelden komen om deze Kraton in alle luister te herstellen.
In de vroegere tijden beschikte de in rang belangrijkste Sultan van het land over behoorlijk wat macht. Maar door de komst van de Nederlanders werd dat al eerder zeer beperkt, maar bij het tot stand komen van de Republiek Indonesie ging alles verloren.
Ondanks hun feitelijke machtsverlies genoten de Javaanse vorsten onder de bevolking blijvend ontzag. Dr. Ong: ""Paku Buwono X van Surakarta (1893-1939) wordt wel de laatste koning van Java genoemd. Hij hield van uitstapjes en werd overal groots verwelkomd. Rond 1900 maakte hij een reisje naar Semarang. Miljoenen mensen uit het volk hurkten langs de wegen. Die geestdrift hing samen met de stemming rond de eeuwwisseling. Sinds 1830 was er geen Javaanse held meer. Er waren de voor de Javanen drukkende plantages, de suikerprijzen, verder familie - hij had veertig concubines en vierenzestig kinderen - en zijn lijfwachten. Dat wekte een gevoel van trots. Er was een Javaan die meer voorstelde dan de gouverneur-generaal, de Chinese kapitein of de opzichter van de suikerfabriek.
""Als de Nederlanders werkelijk iets van de vorsten wilden, konden dezen onmogelijk weigeren. Als een vorst de troon besteeg, moest hij eerst een contract tekenen met de Nederlanders over gezagsverhoudingen en financi毛n; dat was zijn laatste machtsmiddel. Politiek was een vorstelijke hobby, maar het was een spel om het spel zelf, dus zonder veel verantwoordelijkheid. Er werd alom geflirt, met de nationalistische beweging, met de islamieten, met Soekarno, maar veel resultaat had het niet.''
Kind-koning
Paku Buwono XII had de troon nog niet bestegen of de revolutie brak uit.
In die maalstroom hield hij zijn mooie hoofd met moeite boven water en nam hij een aantal funeste beslissingen. Dr. Ong: ""Hij was nog een kind, hij wist van niets. In die eerste jaren stond hij in feite onder curatele van zijn oom, de vizier, en zijn moeder, de gemalin van de jong gestorven Elfde. Zij was een dominante vrouw en gaat in de kraton tegenwoordig door voor een heiligheid.''
Meteen na de proclamatie van de Indonesische onafhankelijkheid door Soekarno en Hatta, op 17 augustus 1945, zonden de Middenjavaanse vorsten aanhankelijkheidsverklaringen naar Jakarta. De boodschapper uit Solo, zo vertelt men in de kraton, werd onderweg "door de communisten' vermoord. Ong: ""Tot op heden staat de sultan van Yogya bekend als een republikein van het eerste uur en heeft de susuhunan nog steeds de naam op het verkeerde - Nederlandse - paard te hebben gewed. Aan het begin van de revolutie deed Yogyakarta mee met alle politieke en landhervormingen, terwijl het hof van Surakarta alles tegenwerkte. Of men zo pro-Nederlands was, weet ik niet, maar de vorst had tijdens de revolutie veel moeite met zijn opstandige bevolking. Die rebelleerde aanvankelijk tegen de koning, maar uiteindelijk was die niet relevant meer, zodat de opstand zich keerde tegen de Republiek. In Yogyakarta zetelde de nationalistische regering en Solo werd het centrum van de linkse oppositie. Dat heeft de kraton parten gespeeld.''
Een van de trouwste hovelingen van Surakarta is Kanjeng Raden Tumenggung ("regent') Hardjonagoro, geboren Go Tik Swan, kleinzoon van een Luitenant der Chineezen, batik-kunstenaar en al meer dan vijfentwintig jaar directeur van het kraton-museum. "Mas Go' bezocht de Europeese Lagere School met Solonese prinsen, onder wie de aanstaande koning, is kind aan huis in het paleis en werd vanwege zijn verdiensten voor de Javaanse cultuur door de Twaalfde in de adelstand verheven. Hardjonagoro: ""De jonge koning stond niet alleen onder invloed van zijn moeder, een formidabele vrouw, maar hij luisterde in politieke zaken vooral naar zijn patih (vizier, rijksbestuurder) en dat was veel funester.''
De benoeming van een patih vereiste sinds 1743 de toestemming van de VOC en later van het Hollandse gouvernement; zij waren de zetbazen van Batavia. Dat was de reden waarom sultan Hamengkubuwono IX van Yogyakarta bij zijn troonsbestijging in 1940 weigerde een patih te benoemen. Hardjonagoro: ""Yogya was als hoofdstad van de Republiek onaantastbaar en Solo werd de dupe. Ten eerste omdat de susuhunan nog zo jong was. En in de tweede plaats vanwege patih Sosrodiningrat IV, een Hollands opgeleide indoloog, die zich verre hield van het republikeinse milieu, omdat hij bang was naar Yogya's voorbeeld aan de kant te worden gezet.''
Hardjonagoro noemt een pikant voorbeeld: ""Nog geen jaar na de proclamatie kwam Hamengkubuwono IX naar Solo. De sultan stelde mijn susuhunan voor om Mataram te herenigen met de status van zelfbesturende provincie binnen de Republiek. Hij zei: laten wij Yogya en Solo bijeenbrengen; U wordt als eerste vijf jaar gouverneur, dan ik vijf jaren en de volgende periode U weer. Het antwoord van Solo was, jammer genoeg, het antwoord van de patih. Die zei: dat kan niet, Sri Sunan, want U kunt nooit tweede man worden onder de sultan. U weet dat de koloniale regering het hof van Surakarta altijd hoger heeft gesteld dan het hof van Yogyakarta. Dus weigerde de jonge koning; een gemiste kans.''
Toen Solo in 1948 werd herbezet door de republikeinse troepen werd het zelfbestuur, dat Surakarta net als Yogyakarta in 1945 had gekregen, door de republikeinse resident in Solo "voorlopig buiten werking gesteld'. In 1960 verloor de kraton Surakarta alle bestuurlijke bevoegdheden en was de susuhunan politiek uitgespeeld. Yogyakarta heeft tot op heden de status van daerah istimewa, een provincie met bijzondere bevoegdheden op cultureel gebied. Solo niet.
Profetie
De wereldlijke macht was verwaaid in de storm der geschiedenis, maar de vorst zat jaarlijks op zijn gouden troon, hield de Bedaya Ketawang in ere en de pusaka werden verzorgd. Sommigen beweerden echter dat ook de wahyu inmiddels was vergaan en verwezen naar een profetie uit 1745. Had niet een ziener gewaarschuwd dat de kraton binnen tweehonderd jaar moest verhuizen om de wahyu te vernieuwen? Aan het hof glimlachte men om dit verhaal; daar wist men wel beter.
In de jaren dertig had Paku Buwono X in het diepste geheim besloten tot een symbolische verhuizing. De vorst liet achter het oude paleis, maar binnen de muren een heuveltje aanleggen, een lusthof van rotsen en planten. Ten westen van die "berg' liet hij een nieuwe vleugel bouwen, het Kedaton Kulon (Westelijke Paleis) en hij gaf opdracht de pusaka daarheen over te brengen. Zo was de kraton "naar het Westen verhuisd' en was de wahyu vernieuwd. Maar hoe stond het met de vorst? Genoot hij nog immer de gunst der goden?
Paku Buwono XII was zelden in het paleis; hij verkoos de vergetelheid van Jakarta - bowling-halls en huizen van lichte zeden - boven het strenge hofleven met zijn dagelijkse offerplichten. Over de seksuele uitspattingen van de susuhunan circuleren vele verhalen. De vorst ging er prat op ""alle soorten lichamen te hebben geproefd, met uitzondering van blinden en waanzinnigen''.
De inkomstenbronnen van de Kraton Surakarta Hadiningrat droogden op en het hof verloederde. De oude koningin-moeder, de "formidabele' Kanjeng Ratu Paku Buwono XI, liet tegen een vertrouweling deze waarschuwing horen: ""Zolang ik leef, gebeurt er niets; maar pas op als ik er niet meer ben.''
In 1984 stierf de oude dame. Nog geen jaar later, in januari 1985, ontstond een uitslaande brand in de Dalem Ageng, het hart van de kraton, met zijn djati-houten paviljoenen en kostbare antieke meubilair. De spuitwagens van Solo rukten ogenblikkelijk uit, maar konden niet door de paleispoort. De brandweerlieden weigerden dit symbool van bovenwereldlijk gezag neer te halen en de helft van de kraton brandde af. De koning, toevallig aanwezig, brak een ruit en wist een gouden kris te redden voor de vlammen.
Gusti Koes Moertiyah herinnert zich de ramp als de dag van gisteren: ""Het was een donderdagavond, die Javanen plegen door te brengen met mediteren; ik doe dat meestal op een plekje langs de Solo-rivier. Ik had net bloemen gekocht op de markt, toen een vriendin me vertelde dat de kraton in brand stond. Ik rende terug en toen ik zag hoe hoog de vlammen opschoten, ben ik flauwgevallen; meer dan twee uur lang was ik bewusteloos. Toen ik weer bijkwam, lag de halve kraton in de as.
""Oorzaak van de brand'', zegt Mbak Moer, ""was een kortsluiting in de ondeugdelijke elektrische installatie van de oudste vleugel. Uit mystiek oogpunt waren er al verschillende influisteringen geweest die beduidden dat er iets groots stond te gebeuren in de kraton. Drie uur voordat de brand uitbrak, belde vader mij op. Moer, zei hij, zeg tegen Mas Behi (prins Hangabehi, de oudste zoon) dat hij vanavond niet de kamer van de pusaka binnengaat; ik wil dat zelf doen. Dat was vreemd, want die opdracht had hij Mas Behi eerder zelf gegeven. Die dinsdag had vader tegen mij gezegd dat er iets ging gebeuren waarvan de mensen zouden schrikken en dat ik me daarop geestelijk moest instellen. Hij had een dwerg ontmoet die hem had gemaand de hele familie voor te bereiden, want "de tijd was aangebroken'.
""Toen de brand was uitgewoed, kwam vader naar mij toe. Ik weet niet of u dit gelooft, maar omdat ik aan het hof degene ben die het meeste danst, sta ik in nauw contact met Kanjeng Ratu Kidul (de majesteit van de Zuidzee), aan wie in het paleis op drie plaatsen wordt geofferd. "Moer', zei vader, "ga jij naar de zee om Grootmoeder te vragen of zij hiertoe bevolen heeft.' Ik ging naar Parangkusumo [de plaats aan de zuidkust waar Senopati enige tijd zou hebben samengeleefd met Dewi Loro Kidul en waar een omheind heiligdom is, red.]. Het duurde geen vijf minuten of Grootmoeder kwam. Ze zei alleen dit: "Tak Obong - de brand is mijn werk -, want de Javanen zijn vergeten dat ze Javanen zijn'.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.

Premier Rutte heeft een speciale band met Indonesië. Zijn vader was directeur van een handelsonderneming in Nederlands-Indië. Toen Rutte enige tijd geleden het Indonesische parlement mocht toespreken, schreef hij op Facebook: "Voor mijn geboorte woonden mijn vader en moeder lange tijd in Indonesië. Ik groeide op met de verhalen, de geuren en smaken van Indonesië." 
Hij zei dat hij bij het schrijven van zijn speech vaak heeft teruggedacht aan de verhalen van zijn vader. "Zijn persoonlijke levensgeschiedenis, en daarmee de mijne, zijn voor altijd verbonden met Indonesië."
Rutte zei in zijn persconferentie dat de dekolonisatieperiode geen belangrijk onderwerp is in zijn familiegeschiedenis. Zijn vader zat niet bij het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL). Het gaat in de familie wel vaak over de jappenkampen. De eerste vrouw van zijn vader overleed in zo'n kamp.

Toen ik dit las kreeg ik een wat narrig gevoel in mijn lijf. Las ik dat nou goed? Schrijft hij daar dat alleen de Japanse bezetting hem enigszins beroert maar dat alles wat tijdens de Bersiap heeft plaatsgevonden hem niet zo boeit.
Maar wat nog erger is, is het feit dat hij dit openlijk op Facebook plaatste en daarmee aangeeft dat de vele doden en andere slachtoffers uit juist die periode voor hem niet van belang is.
Was dat misschien een voorzet om te voorkomen dat eventuele wensen van al die Indische Nederlanders gehonoreerd zouden moeten worden.
Je zou toch denken dat uitgerekend hij meer begrip zou moeten opbrengen voor juist die periode die velen heeft genoopt om hals over kop destijds hun geboortegrond te verlaten met achterlating van al hun bezittingen, hun gelden en vaak zelfs hun kleding.

Dit werd veroorzaakt door enerzijds de halstarrige houding van Nederland ten opzichte van de wens van de Indonesische bevolking om hun eigen land te willen regeren. Anderzijds lag daar de oorsprong van de vele slachtoffers aan beide zijden die het onmogelijk maakte voor de Indische Nederlanders om te blijven in het land van hun hart, in het land waar hun navelstreng mee is verbonden.

Mark Rutte ga je diep schamen. Ik ben er van overtuigd dat je eigen vader zich van woede zou omkeren in het graf. De man die zijn vrouw daar moest achterlaten. Ja, ja, je schreef het al dat de Jappenkampen je wel wat doen. Je vergeet Mark dat de oorlog niet stopte op 15 augustus 1945.
Op 17 augustus brak opnieuw de hel los.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.

IK HEB VOOR MIJN ACHTERKLEINZOON DIT SPROOKJE GESCHREVEN.
Hij is nu 6 jaar en begrijpt via sprookjes bijna alles. Maar hij heeft geen idee wat Nederlands Indie was.
Waarom? Hoe leg ik een mannetje van 6 jaar uit wat er vroeger is gebeurd in het land waar Oma is geboren. Later als hij wat groter is geworden dan komt de rest wel.
Zoals u weet begint dat altijd met de vaste uitdrukking, gelijk aan dat van een sprookje; ER WAS EENS.
Er was eens heel ver weg een land vol met bruine muizen. Ook woonden er al heel lang een veel kleinere groep met witte muizen. Zoals in elk land ging men - met ups en downs - redelijk goed met elkaar om en daardoor was het een land waar het goed wonen was.
Vooral de hele kleine muisjes konden onbekommerd hun gang gaan mede omdat zij zich goed beschermd voelden door de grote muizen.
Oh ja, bij die grote muizen, zowel de bruine als de witte, was wel eens wat ruzie maar dat ontging de kleine muizen en zij konden normaal hun leventje leiden.
Er waren daar veel minder witte als bruine muizen, maar de witte muizen waren meestal de baas over all andere muizen.
Vaak kon je dat heel goed zien omdat de witte meestal een wat mooier holletje hadden en ook omdat zij dat holletje en de omgeving niet zelf hoefden te onderhouden. Nee, dat deden de hele bruine muizen voor ze. Die hele bruine kregen daarvoor wat extra muizenkorrels en daar leken ze tevreden mee.
Dat ging eigenlijk altijd goed totdat........in andere muizenlanden iedereen ruzie met elkaar kreeg en elkaar het leven onmogelijk gingen maken. Dat was het moment dat alle muizenstammen elkaar gingen bestrijden. Er was opeens geen plekje meer te vinden waar geen ruzie was en sommige muizenlanden maakten afspraken met elkaar om samen weer te vechten in andere muizenlanden.
Voor al de jonge muizen in al die landen werd het ineens onveilig, maar bovendien konden al die kleintjes er niets van begrijpen. Maar oké, in hun eigen land was het niet zo, dus maakten zij zich ook niet zo druk alhoewel zij wel steeds hoorden dat dit ook bij hun kon gebeuren ook al kenden zij toch niemand die zo slecht zou zijn om hun landje en hun leventje te verpesten en al hun muizenholletjes stuk te maken.
Maar dan, plotseling waren er ineens heel veel gele muizen op de velden. Zij waren met zoveel dingen gekomen en gingen echt de baas spelen over al die witte en bruine muizen. Al die witte muizen werden in heel aparte holen gestopt waar ze niet meer uit konden komen en al die bruine muizen mochten wel in hun eigen holletjes wonen maar moesten precies doen wat die gele muizen vertelden.
Nou dat ging niet altijd even goed. Die gele muizen pakten alle muizenkorrels in om zelf op te eten en de witte en gele mochten alleen maar toekijken. Als ze zelf wat korrels wilden terugpakken dan liep het slecht met ze af.
Gelukkig ging die tijd over. Het zag er naar uit dat alle muizen weer naar hun eigen landje terug zouden gaan en geen ruzie meer met elkaar gingen maken.
Maar Oh oh, wat een vergissing. De witte en de bruine muizen in dat ene verre land gingen gewoon door met ruzie maken.
De witte wilden weer, zoals vroeger, de baas zijn maar de bruine wilden dat niet meer en wilden ook de baas zijn en niet meer langer de dingen doen zoals de witten dat wilden.
En ja hoor, zij gingen daar zelfs over vechten. En ieder ander muizenland ging zich daar ook mee bemoeien.
Dus zoals altijd kregen de witte muizen extra veel problemen en moesten uiteindelijk met al hun jonge muizen weg uit wat toen alleen een bruine muizenland werd.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.

HET VERHAAL VAN EEN JAPANS-INDISCH KIND

 

Zoals in iedere oorlog tussen landen ontstaan er ook relaties tussen vertegenwoordigers van de bezettende macht met vrouwen en meisjes uit het bezette land. Zo ook tijdens de Japanse bezetting van het voormalig Ned. Indië. Veel van deze relaties kwamen onder dwang tot stand, maar soms ook op basis van vrijwilligheid. Immers waar mensen elkaar ontmoeten ontstaan ook verliefdheden die uiteindelijk tot een liefdesrelatie leiden. Er leven enkele honderden kinderen die uit een dergelijke relaties zijn geboren in Nederland en nog een veelvoud daarvan elders in Azië.
De moeders waar het hier om gaat zijn allen van Indische afkomst en waren in die tijd nog erg jong, veelal van 16 tot 21 jaar oud.
Het merendeel van de uit dit soort relaties geboren kinderen werd aanvankelijk nooit iets verteld over hun afkomst. Er werd in de familie angstvallig over gezwegen. Het werd een groot taboe. Pas op latere leeftijd kregen de meeste nakomelingen te horen dat zij een deels Japanse afkomst hebben. En daar begonnen dan ook de problemen. Maar dat was in vele gevallen ook het enige dat zij te horen kregen. Voor de rest werd het stilzwijgen bewaard. Door de houding van de omgeving, de ondergane vernederingen met de daarbij behorende angst, waren vele moeders inmiddels sterk getraumatiseerd en velen schaamden zich voor het door hen voortgebrachte kind en met heet feit dat zij in een zogenaamde verboden relatie hadden gezeten. Een overgroot deel van deze moeders werden nadien met hun kind of kinderen opgesloten in één van de Nationalistische kampen van de Indonesische vrijheidsstrijders.
Voor andere Nederlanders waren de Japans-Indische kinderen en hun familie hooguit iets exotisch, maar binnen de Indische omgeving werden zij gediscrimineerd, mede als gevolg van de vaak extreme wreedheden begaan door de Japanners en het feit dat deze kinderen hun uiterlijk niet konden verbergen. Zij zien er vaak erg Japans uit.
In die gevallen waarin dat niet gebeurde was het 't gezin zelf die het grote taboe in stand hield. Het kind te zijn van de vijand werd vaak een geestelijk drama. Zeer veel van deze kinderen raakten, vooral op latere leeftijd, in ernstige psychische problemen en hadden dringend hulp nodig om hun leven opnieuw in te richten en klaar te komen met het feit dat zij deels Japans zijn.
HOE IS HET MET MIJN VROUW MARY VERLOPEN?
Met een zwaar woord kan ik zeggen dat zij behoort tot de lotgenoten. Wij zijn nu - anno 2011 - zo'n 47 jaar getrouwd. Toen ik haar leerde kennen was zij 18 jaren en had ongeveer een jaar daarvoor formeel gehoord dat DE MAN WAARVAN ZIJ DACHT DAT HET HAAR VADER WAS, DAT HELEMAAL NIET WAS EN DAT ZIJ HET KIND WAS VAN EEN JAPANNER.
U begrijpt dat zij daar behoorlijk ondersteboven van was, mede omdat haar opvoedvader, voor haar, een hele goede vader was, alhoewel ze al vroeg in de gaten had dat zij in geen enkel opzicht iets van hem in haarzelf kon ontdekken. Nadat wij enkele weken met elkaar omgingen en onze relatie, zeker van mijn kant, serieus dreigde te worden, wilde zij de relatie beëindigen met de woorden; "dat zij niet was wat ik dacht dat ze was". Ik begreep van die opmerking natuurlijk geen moer. Nee, vertelde ze, ik ben anders een kind van de vijand. Het resultaat is dat wij nu nog steeds samen zijn, mede omdat het voor mij toen, en nu nog steeds, veel belangrijker was en is van "wie je bent en niet wat je bent". Vele jaren ging ons leven normaal zijn gang. 3 zoons werden ons deel en de een na de ander ging de deur uit om zijn eigen leven verder op te bouwen.
Totdat........
de eerste tekenen dat het niet goed zat zichtbaar werden. Bij sommige gelegenheden waar gesproken werd over de Jappentijd, vooral in Indische kringen waar wij veel in verkeren, ging Mary zich steeds ongemakkelijker voelen. Immers als men het had over "die rot Jappen" dan deed dat ergens goed pijn, terwijl ze de reacties en opmerkingen wel kon begrijpen, zeker vin het licht van de vaak wrede geschiedenis. Allerlei gelegenheden ging ze ontlopen en vluchtte als het ware weg.
Onze kinderen werden vooralsnog niet ingelicht over hun afkomst en de afspraak was dat dit pas zou gebeuren zodra Mary hier zelf aan toe was. Nou lieve mensen, dat heeft jaren geduurd.
Ik bespaar u alle momenten die uiteindelijk tot psychische problemen leidde, die haar hebben gevoerd naar een diepgravende therapeutische behandeling bij het Sinaï Centrum in Amsterdam van méér dan 2 jaar.
Nadat Mary haar kinderen, op haar eigen manier in 1995, inlichtte over hun deels Japans zijn en dat, tot haar grote verbazing, fantastisch door hen werd opgenomen, evenals door hun echtgenotes, gingen wij voor een kleine twee jaar naar Curaçao. Bij onze terugkeer in Nederland gingen wij tijdelijk inwonen bij mijn schoonmoeder en vonden bij haar op tafel een boekje van de Stichting Sakura. Wij kenden die club niet en vroegen haar wat of dat was. Ach, zei ze, ik heb hun geschreven omdat ik voor jou je vader wilde laten zoeken. Maar je moet het maar afschrijven want nu moet ik geld betalen en dat kan ik niet. Onmiddellijk gaven wij aan dat wij wel contact zouden opnemen met die Stichting en het laten overschrijven naar ons toe, omdat het uiteindelijk onze zaak was. Het ging immers om de vader van Mary. Vanaf dat moment heeft haar moeder nooit meer iets over dit onderwerp prijsgegeven. Op uitdrukkelijke vragen volgde huilbuien en opmerkingen als; "ik weet niets meer, laat maar zitten en ik ben alles vergeten".
Nadat wij met de Stichting Sakura in contact waren gekomen hebben wij ook een begin gemaakt met het op zoek gaan naar de biologische vader van Mary.
In 2002 kreeg zij de kans om mee te gaan met een reis naar Japan van 12 dagen. Het doel van deze reis was om een beter inzicht te krijgen in het Japan van nu en te verzoenen met het Japan van toen. Het was voor haar een indrukwekkende, confronterende en emotioneel zware reis, maar wel één die ze niet had willen missen. Daar in Japan ontdekte Mary heel goed dat ze deels Japans is. Velen leken op haar, zij kon door haar lichaamslengte iedereen recht in de ogen kijken en de kinderen die ze daar ontmoette waren vaak kopieën van onze eigen kinderen. Kortom ze werd heel erg geconfronteerd met zichzelf, niet alleen door herkenning, maar het versterkte ook een psychisch proces dat de "unheimische" gevoelens die al langere tijd een rol speelde, verhevigde. Een korte tijd na deze reis moest ze zich dan ook onder behandeling stellen om orde te brengen in de grote warboel die in haar hoofd was ontstaan.
De zoektocht naar haar vader met de Stichting liep op niets uit en derhalve besloot ik om het zelf te gaan proberen. Echter wie we ook aanschreven, overal kregen wij nul op het rekest. Natuurlijk allereerst omdat wij alleen beschikten over een achternaam zonder verdere gegevens en een spaarzame omschrijving als zou hij een hoge functionaris zijn geweest in het gebied rondom de beroemde Vorstenstad Solo (Soerakarta). Ook de persoonlijke contacten met de Minister of Foreign Affairs of Japan leverde niets op, mede omdat zij alleen wat konden doen als wij beschikten over een legernummer, geboortedatum en plaats. Nou, dat zijn nou juist de zaken die wij - en al onze lotgenoten - niet weten. Bovendien werd het al snel duidelijk dat de privacy voorschriften in Japan nog veel verder gaan als hier in Nederland en doorwerken tot enkele generaties terug. Een ander belangrijk facet dat een rol speelt is dat, zodra er sprake is van wat zij noemen "een aanzienlijke familie", dus een voorname familie dan wordt men helemaal huiverig omdat zij niet lastig gevallen mogen worden met de zonden van de voorouders.
Zo hebben wij ruim 6 jaar aangemodderd, ruim 3600 boeken en manuscripten doorgewerkt om maar een klein draadje te vinden die ons verder op de weg kon helpen. Totdat wij op het punt kwamen van opgeven, wij kwamen niet verder........en dan opeens zat ik de memoires te lezen van Sukarno. In één voetnoot kwam ik een verwijzing tegen naar ene Dr. Shigeru Sato die een proefschrift had geschreven over het Japans bestuur op Java gedurende deze oorlog. Ook vond ik een privé mailadres van hem. Binnen 36 uur had ik al enkele ,mailtjes met hem gewisseld en besloot Shigeru, die in Australië woonde en doceerde aan The University of New Castlle, naar Nederland zou komen om met ons kennis te maken, ons verhaal te horen en te bezien wat hij voor ons kon betekenen. Twee maanden later kwam hij inderdaad naar ons toe en hebben uitvoerig over alles gesproken. Bij zijn vertrek beloofde hij om samen met enkele Universitaire vrienden voor ons aan de slag te gaan.
Na weer enkele maanden kregen wij opnieuw bericht maar nu uit Japan van Prof.Oba. Zij hadden met Hr.Uchiyama de gegevens waar wij zo naarstig naar zochten gevonden. U begrijpt dat dit voor Mary een emotioneel hoogtepunt werd in haar leven. "IK BESTA ECHT", "IK MAG ER ZIJN". Het moment werd nogal aangrijpend omdat zij het bericht ontving toen haar moeder in het ziekenhuis lag, die daar op dat moment in kritieke toestand verbleef.
Ook daarna zijn wij enorm geholpen door een andere vriendin van ons Yoko Watanuki die in alle perioden zeer veel zaken voor ons heeft gedaan. Al deze mensen zijn wij natuurlijk de rest van ons leven buitengewoon dankbaar.
Sindsdien weten wij dat haar biologische vader Touki Okada heet, in 1894 is geboren en afgestudeerd is in de Engelse letteren aan de Universiteit van Tokyo in 1918. Hij is in 1986 overleden op 92 jarige leeftijd en gedurende de oorlog was hij als Attaché de hoogste bestuurder belast met cultuur en onderwijs op Midden Java en gelijkgesteld met de rang van Kolonel.
Er zijn nog 4 dochters van hem in Japan woonachtig, dus halfzusters van Mary. Het contact met hun verloopt uiterst stroef. Men wil de familie hierbuiten houden, maar wij mogen wel alles vragen.

Reactie plaatsen

Reacties

Arthur Dias
een maand geleden

Mooi emotioneel verhaal Bung Han

WAT IS DAT NOU? DIE BERSIAP PERIODE IN HET VOORMALIG NEDERLANDS INDIE.

 

Oh zeker, dit is geen prettig artikel en misschien een beetje lang. Maar het moet gehoord worden.
Van veel mensen heb ik vernomen dat zij niet echt goed weten wat nou de Bersiap is waar Indischen en Molukkers steeds over praten.

Voor zelfs velen was deze periode zwaarder en erger dan de vaak genoemde Japanse bezetting met al zijn gruwelijkheden.

Met dit artikel probeer ik te laten zien wat die Bersiap tijd nu werkelijk inhield. Natuurlijk als je dit hebt meegemaakt dan weet je waarover in schrijf, maar voor de jongere generatie en voor de vele anderen kan dit verhelderend werken.

Het grote geweld begon niet meteen na de Japanse capitulatie op 15 augustus 1945 en het uitroepen van de Indonesische onafhankelijkheid twee dagen later. Bijna alle ooggetuigen vertellen dat de golf van intimidatie en moord pas werkelijk losbarstte in oktober.

In de loop van de Japanse bezetting waren zo’n 100.000 Nederlandse burgers in interneringskampen opgesloten. Daarnaast waren er 42.000 Nederlandse soldaten krijgsgevangen, van wie er velen op verschillende plaatsen in Indonesië en andere delen van Azië waren tewerkgesteld.

Toen in de gevangenkampen het bericht kwam dat Japan had gecapituleerd, waagden velen zich buiten de omheining. Er was weinig te merken van animositeit. Ook Indische Nederlanders die niet geïnterneerd waren geweest, merkten dat ze rustig over straat konden. Heel even leek het alsof het vooroorlogse leven weer zou kunnen terugkeren.


Schijn bedriegt
Dat dacht ook A.F.R. Ruyter de Wildt, die voor de oorlog chef van een suikerfabriek in Oost-Java was geweest en tijdens de Japanse bezetting werd geïnterneerd in een mannenkamp in Tjimahi, bij Bandoeng op West-Java. Hij noteerde in zijn dagboek dat hij pas op 22 augustus van de Japanse overgave hoorde. Hij begaf zich al snel op straat, waar alles vrij rustig was en zelfs weinig rood-witte vlaggetjes te zien waren. Europeanen konden vrij rondlopen en werden op de markten hoffelijk bejegend.

Vanaf eind september leek er pas echt iets te veranderen
Toch kwamen er al snel berichten dat Europeanen werden gemolesteerd en zelfs vermoord. Hierop beval de geallieerde bevelhebber voor Zuidoost-Azië, Louis Mountbatten, de Europeanen in de kampen te blijven en zich niet op straat te begeven. Dat hielp wel, hoewel velen de raad in de wind sloegen. Maar voor verreweg de meeste Europeanen, vooral Indische Nederlanders, die niet in een kamp hadden gezeten, gold dat niet. Zij liepen dan ook het grootste gevaar slachtoffer te worden van aanvallen van Indonesische bendes.

Bijna overal kwam het geweld pas goed op gang toen de eerste Britse troepen en een handjevol Nederlanders op Java aan land kwamen. Vanaf eind september leek er pas echt iets te veranderen. Zo ook in Bandoeng. Je zag er Indonesische spandoeken die de Nederlanders opriepen weg te blijven. Steeds meer Indonesiërs verschenen op straat, gewapend met messen, stokken en bamboesperen. Veel van deze jongens waren afkomstig uit de arme stadsbuurten, waar zij gemakkelijk te mobiliseren waren.
Wie waren de geweldplegers?
In een dagboek van mijn oom beschrijft hij plastisch hoe ‘veel volk gewapend met messen, speren en dolken uit de dessa gangetjes kwamen opdagen’, en hij voegde eraan toe: ‘Dit uitvaagsel dacht zeker dat er geknokt zou worden, ze wilden dan bij een eventueele plundering aanwezig zijn.’ Hij hield het, zoals zoveel Nederlanders met hem, kennelijk niet voor mogelijk dat de Indonesiërs politiek geïnspireerd zouden zijn.
Wie schuilden er achter de naam ‘extremisten’?
Er hangt veel mist rond het extreme geweld van de Bersiap-tijd. Waar kwam dat nu vandaan? Wie waren de daders? Wie schuilden er achter de naam ‘extremisten’ die de Britten en Nederlanders op de geweldplegers plakten? Waren het criminelen, opgehitste jongeren, opportunistische sadisten, religieus fanatici? En wat was hun motief? Iedere oorlog heeft natuurlijk zijn pathologische moordenaars, maar de frequentie van de moorden maakt het moeilijk om die in de schoenen te schuiven van een kleine groep sadisten of criminelen.

Opgehitste jongeren
Indertijd gaven Nederlanders de schuld vooral aan de Japanse propaganda, die de Indonesische jongeren tegen de Nederlanders had opgehitst. Zelf noemden de strijders zich veelal pemuda, jongeren, maar zo jong waren ze niet allemaal. Wel kwamen de meesten uit de lagere klassen en uit de armere stadsbuurten of dorpen. Door hun kansloze situatie haakten zij naar verandering en waren zij het meest vatbaar voor radicalisering.

Het gevoel van crisis moet veel jongeren ertoe hebben aangezet zich bij strijdgroepen te voegen
Daardoor waren ze ook een dankbaar object voor lokale leiders die hun volgelingen juist in de stadskampongs ronselden. De mogelijkheid om zaken in eigen handen te nemen, zeker na de ellendige Japanse bezettingstijd, bracht veel jongeren in staat van opwinding. In die zin was de geest van de revolutie er ook een van ongekende vrijheid en mogelijkheden, als een persoonlijke vervolmaking.

In de eerste maanden na het uitroepen van de onafhankelijkheid ontstond er op veel plaatsen een wirwar van strijdgroepen met eigen leiders en een eigen agenda. Er was nog geen sprake van een geregeld Indonesisch leger en de republikeinse regering kon geen sterk gezag laten gelden. Het gevoel van crisis en politieke urgentie moet veel jongeren ertoe hebben aangezet zich bij de strijdgroepen te voegen, net als het vooruitzicht op plundering.

 

Scharnierpunt in Indonesië
Het meeste geweld, los van de strijd tussen meer reguliere republikeinse en Britse en Nederlandse troepen, werd gepleegd door radicale nationalisten, islamitische strijdgroepen als de Hizbullah en Sabillilah, en groepen met meer criminele achtergronden. Zij hadden gemeen dat ze moeilijk onder het gezag van het prille leger van de Indonesische Republiek te brengen waren en vaak hun eigen plan trokken. Dat maakte dat de toeschouwer politiek strijder en misdadiger nauwelijks kon onderscheiden – en in veel gevallen was er ook geen verschil.

De komst van de geallieerde legers gaf het gevoel dat men haast moest maken
Hoewel criminele en opportunistische motieven een rol speelden, was veel van het geweld op z’n minst politiek geïnspireerd. Indonesiërs raakten zich sterk bewust van het scharnierpunt waarop het land zich bevond. De regering van de nieuwe republiek begon zich steeds sterker te manifesteren en ook revolutionaire leiders riepen het volk op zich bij de revolutie aan te sluiten. De komst van de geallieerde legers gaf de Indonesische revolutionairen het gevoel haast te moeten maken, wilden de oude kolonisatoren niet weer de overhand krijgen.
De toenemende botsingen met Japanse troepen, die na de capitulatie de orde moesten bewaken, en met Britse militairen stimuleerden de pemuda tot radicale actie. Op veel plaatsen deden Indonesische groepen een aanval op wapendepots van de Japanners, met wisselend succes. Het geweld tegen burgers nam hand over hand toe, omdat de dreiging van koloniale herbezetting van alle Nederlanders een vijand maakte.

Indonesië voor de Indonesiërs
Op 7 of 8 oktober 1945 riepen republikeinen op Java op tot een boycot van Europeanen in de winkels. Revolutionairen wierpen barricades op en deden huiszoeking. Europeanen werden op straat aangehouden en tot hun afgrijzen gefouilleerd door gewapende Indonesische jongens. Mijn oom schrijft in zijn dagboek dat hij zich ‘het beschamende [moest] laten welgevallen door een troep schofjes gefouilleerd te worden’.

De politieke strijd kreeg een sterk etnische dimensie
In veel steden gingen groepen pemuda langs de straten en joegen de bewoners de stuipen op het lijf met geschreeuw en nachtelijk lawaai. Steeds meer huizen werden gerampokt (geplunderd). Inwoners werden de bossen in gejaagd, waar ze vaak het slachtoffer werden van andere bendes. Ook verschenen er pamfletten die de bevolking opriepen de Indo-Europeanen uit te roeien.

De politieke strijd kreeg hiermee een sterk etnische dimensie, waarin het ‘Indonesië voor de Indonesiërs’ leidde tot haat voor het niet-eigene. In Soerabaja werd deze omslag misschien wel op de meest dramatische manier duidelijk toen een geïmproviseerd tribunaal tegen de massaal gearresteerde Nederlanders ontaardde in een martel- en moordpartij onder de kreet ‘Dood aan de blanken’. Enkele tientallen Nederlanders werden hierbij vermoord; enkele honderden raakten gewond.

Intenering op republikeins gebied
De Nederlanders buiten de kampen – veelal Indische Nederlanders – lieten zich niet onbetuigd en organiseerden hun eigen strijdgroepen om hun huizen en gezinnen te verdedigen en de moorden te vergelden. Ook Molukkers waren in deze groepen actief, omdat zij vaak het doelwit van de moordpartijen waren. Molukkers waren voor de oorlog dikwijls soldaat in het Indische leger geweest en waren goede vechters.
De internering betekende voor velen een periode van nieuwe ellende.

De Nederlandse milities opereerden vooral in Batavia. Ook zij maakten zich schuldig aan overmatig geweld. Vaak lieten ze zich leiden door wraak, waarbij een moord op een Europeaan of Molukker in veelvoud werd vergolden. Op deze wijze escaleerde het geweld, maar de Nederlands-Molukse milities waren wel in staat om sommige buurten enige bescherming te bieden.

De Indonesische leiders bevalen op 12 oktober om de Nederlandse mannen op republikeins gebied te interneren; later volgden vrouwen en kinderen. Het is aannemelijk dat de arrestaties waren bedoeld om hen tegen verder kwaad te beschermen, maar ongetwijfeld ook om te voorkomen dat de Nederlanders zelf de wapens zouden opnemen – zoals her en der gebeurde. De internering betekende voor velen een periode van nieuwe ellende, maar heeft hen ook behoed voor verdere terreur.
Mijn vrouw Mary met haar moeder en zus werden daarop opgesloten in achtereenvolgens de kampen Sinkokan en Kletjo.

Misdrijven van de BKR (onderdeel van het Indonesisch leger).
In de maanden die volgden waren het ironisch genoeg juist de Nederlanders buiten republikeins gebied die het meeste gevaar liepen. Het geweld nam soms gruwelijke vormen aan. Zo haalden op een dag in december 1945 drie leden van de Badan Keamanan Rakjat (Volksveiligheidsorgaan, het republikeinse leger) twee vermoedelijk Indo-Europese vrouwen in een station in een voorstadje van Batavia uit de trein en voerden hen naar het plaatselijke kantoor van de BKR, dat in een voormalig landbouwkantoor was ondergebracht.

Het geweld nam soms gruwelijke vormen aan
Na een summiere ondervraging riep de leider van de BKR zijn manschappen en de omwonenden bijeen. De vrouwen werden ontkleed en door een reeks mannen verkracht, naar buiten gesleurd en onderworpen aan een publieke marteling met gloeiende ijzerstaven en een langdurige afranseling. Uiteindelijk werd hun de hals doorgesneden. De lichamen werden in een put op het erf gegooid.

Dergelijke rituele slachtingen verbijsterden de autoriteiten en zaaiden grote angst onder de Europese bevolking. Dat was natuurlijk de bedoeling, maar er was nog een ander motief: de behoefte aan vernedering en ontmenselijking van tegenstanders. Waar die vandaan kwam, is slechts te gissen. Er is wel betoogd dat Indonesië een rampok-cultuur had, of dat er ‘reservoirs’ van geweld bestonden die tijdens de revolutie geactiveerd werden, of dat wraakneming eigen is aan de Indonesische rechtscultuur.
De term Bersiap
Maar we hebben deze rituelen ook leren kennen in recente uitbarstingen van etnisch geweld, en we kunnen ze beter verklaren uit de politieke toestand en de aard van de strijdgroepen dan uit iets ongrijpbaars als cultuur. Hoewel er ook in vooroorlogse Indië etnisch geweld voorkwam, was dat heel wat anders dan de explosie van de late jaren veertig. In die periode van agitatie en straffeloosheid kon het geweld als nooit tevoren opbloeien.

'Bersiap’ is in Nederlandse kringen ingeburgerd om de periode van eind 1945 aan te geven
De term ‘Bersiap’ is in Nederlandse kringen ingeburgerd geraakt om de periode van chaos, moord en onzekerheid van eind 1945 aan te geven. Deze periode hield aan tot begin 1946, toen de gezamenlijke Britse en Nederlandse troepen de situatie in de steden, waar de meeste Europeanen hun toevlucht zochten, wisten te stabiliseren. In de grote steden was de Bersiap daarmee grotendeels ten einde, maar het geweld ging elders door.

Nederlanders en Indische Nederlanders waren volstrekt niet de enige slachtoffers van het geweld van Indonesische bendes. Op allerlei plaatsen werden andere mensen het doelwit van afpersing, mishandeling, roof en moord. Het betrof groepen en personen die met de Nederlanders werden geassocieerd of niet als rechtgeaarde Indonesiërs golden, zoals de Molukkers. Op veel plaatsen werden bestuursambtenaren uit de koloniale tijd vermoord, maar ook buitenstaanders die enige rijkdom hadden vergaard.

Geweld tegen Chinezen
Een kwetsbare groep was die van de Chinezen, die zich in de koloniale tijd hadden ontpopt als winkeliers, ondernemers en geldschieters. Voor de revolutionaire strijders, of wie daarvoor wilde doorgaan, waren de Chinezen een gemakkelijke prooi. Bovendien waren ze vaak herkenbaar aan hun naam en uiterlijk. Enkele duizenden Chinezen zijn in de loop van de revolutiejaren vermoord en tientallen huizen geplunderd en vernield.
Enkele duizenden Chinezen zijn in de loop van de revolutiejaren vermoord.

Het meeste geweld kwam voor in de schemerzone waar de Indonesische Republiek haar gezag niet kon laten gelden en ook de Nederlandse autoriteiten geen orde konden bewaren. Dat werd bijvoorbeeld duidelijk tijdens de politionele acties in juli 1947 en december 1948, toen de Nederlanders grootscheepse offensieven inzetten op Java en Sumatra.

De republikeinse legers wisten dat zij het onderspit zouden delven en trokken zich van de frontlinies terug. Ze gaven de ruimte aan vernielingscommando’s en ongeregelde troepen. Op veel plaatsen richtten die een ware terreur aan. Niet alleen fabrieken en openbare gebouwen werden vernield, ook werden winkels en woonhuizen van Chinezen geplunderd en de inwoners afgevoerd. Soms werden de Chinezen dagen achtereen van dorp naar dorp gesleept, en in enkele gevallen collectief omgebracht.

Afkeuring van de republikeinse regering
In Madjalengka, niet ver van Cheribon op Java’s noordkust, werden tijdens de eerste politionele actie in juli 1947 bijna tweehonderd Chinezen gedeporteerd en na twee weken zeulen in de bossen geëxecuteerd. De troepen die de brandstichting, ontvoering en moord op touw zetten, waren een gemengd geheel. Ooggetuigen zagen vaak dat militairen en officieren van het Indonesische leger deelnamen. Ook dorpshoofden waren soms betrokken bij de razzia’s. In het geval van Madjalengka was een speciale eenheid uit de buurt van Batavia gekomen om de executie uit te voeren.

De legerleiding deed veel moeite om plaatselijke bendes in het gareel te brengen
De republikeinse regering, die in Djogjakarta zetelde, heeft het geweld altijd afgekeurd. De Indonesische leiders was de terreur die plaatselijke groepen uitoefenden – soms dus met medewerking van militairen – een doorn in het oog. De legerleiding deed veel moeite om plaatselijke bendes in het gareel te brengen, maar veel groepen bleven zich aan het centrale gezag onttrekken. Aan de andere kant kon de Republiek ook gebruikmaken van deze bendes, voor de guerrillastrijd tegen de Nederlanders in bezette gebieden en voor vernielingsopdrachten.

Hoeveel slachtoffers in de Bersiap van de eerste maanden na de onafhankelijkheidsverklaring en de daaropvolgende jaren van revolutie zijn gevallen, is onmogelijk aan te geven. De meest behoudende schatting is 3500 burgerdoden, maar het kan net zo goed een veelvoud zijn geweest.

Het einde van de Bersiap
Terwijl het begin van de Bersiap vrij goed is aan te geven, is het einde onmogelijk te bepalen. De geest van geweld die in de laatste maanden van 1945 ontsnapte, was moeilijk te bedwingen. Het geweld dat in oktober 1945 begon, bleek niet te stoppen en is doorgegaan tot na de soevereiniteitsoverdracht. Veel Europeanen, Chinezen en anderen zijn in de volgende jaren vermoord. Tot ver in de jaren vijftig bleven er plaatselijke bendes actief die het op Europeanen, collaborateurs en welgestelden gemunt hadden.
Tot ver in de jaren vijftig bleven er plaatselijke bendes actief
Er is over de langdurige en moeizame losmaking van Indonesië veel gedebatteerd, maar de geweldstraditie die in de revolutiejaren is gevestigd, behoort tot een van de meest ongelukkige en desastreuze erfenissen van de dekolonisatie.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.

IK KAN HET NIET VAAK GENOEG VERTELLEN.

DE NEDERLANDSE OVERHEDEN KREGEN, ZO ZIJ DAT AL NIET HADDEN, BLOED AAN HUN HANDEN IN NEDERLANDS INDIE.

1946 IS ZO'N CRUCIAAL MOMENT.
De oproep van Koningin Wilhelmina in 1946 om de “Indische” mensen te helpen, legden zowel de Nederlandse als de Nederlands Indische autoriteiten naast zich neer.
De Nederlandse politici waren noch in staat noch bereid de politieke realiteit in de wereld te onderkennen. Daarnaast kampten ze met de Nederlandse behoefte morele oordelen uit te spreken. Ze hadden zichzelf al in een hopeloze positie gemanoeuvreerd door Amerikaanse hulp voor herstel van de orde in Nederlands Indië af te wijzen. Daardoor konden ze pas in november 1946 Nederlandse troepen naar Nederlands Indië sturen. (In februari 1946 kwam een detachement mariniers in Soerabaja aan).

Bij de capitulatie van Japan was afgesproken dat de Japanners de orde zouden handhaven tot de Nederlandse troepen zouden arriveren. Toen deze dat, na de erkenning van de Indonesische Republiek door de Britten op 29 september 1945, weigerden en de verantwoordelijkheid legden bij de Indonesische regering, kon Den Haag alleen machteloos mopperen over zoveel onrechtvaardigheid.

Zowel de KVP als de PvdA wilden hun zo pas verworven macht niet op het spel zetten voor een onafhankelijk Indonesië.
Meningen in politiek Nederland:
-dat waartoe wij blanken verplicht zijn, is de opvoeding der bevrijde volkeren overal ter wereld,
-met Indonesiërs kun je niet onderhandelen omdat ze: “onbetrouwbaar zijn, zoals alle bruinen” (Drees),
-Indo’s kunnen ongezonde kernen in ons volkslichaam doen ontstaan,
-drop die Indische mensen maar op de eilandjes bij Nieuw Guinea (voor de oorlog waren er al ideeën dat de Indo-Europeanen op Nieuw Guinea moesten gaan wonen),
-er is in Nederland noch werk noch zijn er woningen voor de mensen uit Indië,
-voor economisch herstel moet de vooroorlogse koloniale bedrijvigheid terugkeren zowel in Nederland als in de Indische Archipel.

In het algemeen meenden de Nederlanders dat de Indonesische bevolking verwachtte dat de Nederlanders hun opvoedende taak zouden afmaken; ook dat Nederland Indonesië niet zomaar aan zijn lot kon overlaten.
Daarnaast was met name het Indische ambtenarenkorps fel tegen de erkenning van de Republiek op korte termijn, “zij hadden hun werk nog lang niet afgemaakt’.
Verder moesten Nederlandse ex-krijgsgevangenen na de oorlog de Indonesische dwangarbeiders (romusha’s) opvangen en naar hun huis begeleiden, waarbij ze geen medewerking kregen van de “nationalisten”.

Velen beschouwden het Indonesische vrijheidsstreven ook als de behoefte van Javanen om te heersen over de andere Indische volkeren. De Indische Nederlanders meenden oprecht dat de gewone Indonesiër na de Japanse bezetting verlangde naar veiligheid en welvaart onder Nederlandse leiding. Te gemakkelijk werden de medestanders van Soekarno als collaborateurs, opportunisten en communisten gezien.
De Nederlanders wensten de Japanse oorlogsmisdadigers te vervolgen terwijl de Indonesische nationalisten daar geen behoefte aan hadden.
Na de soevereiniteitsoverdracht werden de veroordeelde Japanners die gevangen zaten overgebracht naar Japan.
17 augustus 1945
De Japanse vice-admiraal Maeda stelt een onafhankelijkheidsverklaring op en stuurt Indonesische jongeren (pemuda’s) naar Soekarno om hem te dwingen deze verklaring publiekelijk bekend te maken. Hij had ook de Indonesische grondwet opgesteld (november 1945 stelt Sjahrir een nieuwe democratische grondwet op, in 1958 wordt de “Japanse” grondwet weer van kracht) en was mede samensteller van het eerste Indonesische kabinet van 1 september 1945.

De Japanners hadden Pancadharma bedacht: in leven en in dood, voor en na de oorlog, voor een Groot Oost-Aziatische Welvaartssfeer, altijd onder leiding van Japan (variant Pancasila). Zij wilden Soekarno als vorst van Indonesië aanstellen. Zij doopten hun persbureau in Batavia om van Domei in Antara. Ze lieten de radio 24 uur per dag in de ether zijn, waarbij om het uur werd opgeroepen om alle blanken en hun “honden” te doden. Meer dan 1.000 officieren en onderofficieren moeten een Indonesisch leger oprichten.
De Japanse generaal Iwabu ging met 20.000 van zijn soldaten op pad, om de Javaanse jongeren te helpen de Keizerlijke opdracht uit te voeren:
“dood alle blanken en dood alle christenen.”

2 september 1945
Na de ondertekening van de Japanse overgave landen Australische troepen, met een paar duizend Nederlanders, in de Grote Oost en Borneo. De Britten hebben nog geen troepen waardoor alleen wat officials op Sumatra en Java landen.

29 september 1945
-De Britten erkennen de facto de Indonesische republiek. Ze ontschepen in drie weken 40.000 manschappen. Uiteindelijk landen er in 1945 ongeveer 82.000 manschappen, 10.000 Britten en 72.000 Indiërs (Sikhs en Gurka’s)
.
2 oktober 1945
Soekarno verklaart Nederland de oorlog. Indonesische jongeren (pemuda’s later genaamd djahats wat terreurmisdadigers betekent) op met name Java, tussen 8 en 14 jaar, verblind na drie jaar van indoctrinatie door de Japanners en hun eigen leiders en al dan niet door Japanners bewapend, trokken plunderend, verkrachtend, verminkend en moordend door het land op zoek naar blanken en bevolkingsgroepen die zich in de oorlog anti Japans hadden opgesteld, zoals de Indo-Europeanen, Chinezen en aanhangers van een christelijke godsdienst zoals Minahassers, Timorezen en Molukkers. Daarnaast werden er ook dorpshoofden vermoord die in de oorlog gedwongen waren geweest om dwangarbeiders voor de Japanners te leveren. In de laatste maanden van 1945 zijn naar schatting 3.500 blanken en 30.000 “anderen”, alleen al op Java afgeslacht, voor het merendeel vrouwen en kinderen.
Dat was de bersiaptijd.

De Nederlandse politici vonden dat vanwege dit moorden door “de Indonesische nationalisten” de wereldopinie op de hand van Nederland diende te zijn. Maar het tegendeel was het geval.
Misschien moet je wel concluderen dat door haar houding in die tijd de Nederlandse overheid sinds die tijd zij bloed aan de handen hebben van duizenden landgenoten.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.